Nieuws

Impressie werkbijeenkomst 'Kansen voor passend onderwijs'

In Rosmalen buigen ongeveer 20 directeuren en bestuurders uit onderwijs en zorg zich over de vraag hoe samenwerking tussen beide sectoren kan leiden tot betere kansen voor kinderen en jongeren. Ouderorganisaties, vakorganisaties, directeuren van samenwerkingsverbanden en wethouders doen mee aan het gesprek. Nu zowel in het onderwijs als bij de gemeenten de transities van systemen en geldstromen goeddeels uitgelijnd zijn, kan het gaan over de onderliggende vragen. Welke rol hebben scholen in hun buurt? Wat hebben ouders en leraren nodig om kinderen en jongeren op school en thuis te ondersteunen? Welke ontwikkelingen verwachten we de komende jaren?

Erik Dannenberg: ,,Het deint: allerlei verbindingen moeten opnieuw gelegd worden”

Erik Dannenberg is projectleider voor de stuurgroep ‘VSO in de transities’. Hij leidt het gesprek in met een schets van de beleidskeuzes die onder de inzet van specifieke ondersteuning voor kinderen en jongeren liggen. Hij vertelt over zijn ervaringen in Canada, waar zorg en ondersteuning wezenlijk anders worden ingezet.

Dannenberg schetst hoe in Nederland het denken in doelgroepen verankerd is in het systeem. Voor specifieke groepen worden specifieke maatregelen en voorzieningen getroffen. Dat geldt niet alleen voor het onderwijs, allerlei maatschappelijke kwesties en belangen worden op die manier opgelost. Die manier van denken brengt met zich mee dat besloten moet worden welke burgers dan precies toegang krijgen tot die specifieke voorzieningen. Dat leidt tot een systeem van indicatiestellingen, waarin wordt uitgemaakt welke mensen welk recht op zorg hebben. En dat leidt ertoe dat mensen die beslissingen gaan aanvechten, omdat ze voelen dat hun zorg ontzegd wordt waar ze recht op hebben. Dannenberg kenschetst deze manier van werken als ‘separation’.

In Canada ontmoette Dannenberg een andere manier van denken en werken. Ook daar werden specifieke voorzieningen getroffen voor leerlingen die dat nodig hebben, maar altijd binnen de bestaande organisaties en instituties. Dit zorgt voor een organische samenwerking tussen kinderen en jongeren met de meest verscheidene eigenschappen en kenmerken. Ze groeien op met elkaar en leren in dezelfde omgeving, ook al maken ze soms gebruik van specifieke ondersteuning, programma’s en voorzieningen. Dannenberg noemt dit ‘integration’. Zoals een van zijn gesprekspartners in Canada zei: ,,These children belong to us, they are ours.”

De transities die nu in Nederland in gang gezet zijn, vergroten de mogelijkheid om meer vanuit ‘integration’ te denken en te werken. De kinderen die gebruik maken van speciale onderwijsvoorzieningen, groeien vaak op in gezinnen die ook door zorgverleners worden ondersteund. Afgestemde hulp en ondersteuning kan erop gericht zijn om kinderen en gezinnen binnen de bestaande structuren te helpen, en ze niet in allerlei ‘separate’ doelgroep-programma’s te isoleren. Vooral voor kinderen en jongeren kan het fnuikend zijn om ze vast te pinnen op indicaties. De ontwikkeling van kinderen en jongeren verloopt vaak grillig en is moeilijk voorspelbaar.

Het Nederlandse doelgroepdenken heeft wel gezorgd voor heel veel kennis over specifieke doelgroepen en hulp- en ondersteuningsbehoeften. Die kennis en ervaring kan nu op een meer geïntegreerde manier worden ingezet. Gemeenten en onderwijs moeten dan niet zozeer de discussie voeren over waar de grenzen tussen onderwijs en zorg zijn, om zo hun taken en verantwoordelijkheden af te bakenen. Het gaat veel meer om de vraag hoe ze hun taken en verantwoordelijkheden kunnen verbinden. Met de uitgesproken bedoeling dat niemand meer kan zeggen wie de tablet en begeleiding van die ene leerling in die ene lesplaats nu precies betaald heeft.

,,Wij moeten het nu doen”

Het verhaal van Dannenberg vindt weerklank. Eén van de bestuurders reageert spontaan: ,,Ik word hier blij van. Dit is waar je uit wilt komen. Dit soort samenwerking moet je zoeken, mensen moeten het lef hebben om elkaar op te zoeken. Dat doen we nu niet, of te weinig. Als wij het nu niet doen in Nederland, ben ik medeverantwoordelijk dat we over 7 of 10 jaar weer dezelfde instituties hebben.” Anderen delen dat besef van verantwoordelijkheid en urgentie. ,,We zijn een station aan het verbouwen, en we moeten niet gaan afwachten tot iemand met gele hesjes gaat wijzen welke omleidingen en nieuwe looproutes zijn aangelegd. Dat moeten we zelf doen. Niet wachten tot de gele hesjes er staan, maar zelf de gele hesjes gaan uitdelen.”

Natuurlijk zijn er ook reeële ‘gele-hesjes-vragen’, over de omzetting van AWBZ naar de nieuwe wet- en regelgeving, en over de omzetting van onderwijsondersteuning naar TLV’s. Dat vraagt eigen aandacht en expertise, maar in het gesprek wordt de overtuiging gedeeld dat de transities uiteindelijk niet gaan om het zo goed mogelijk uitvoeren van technische omzettingen.

Daarmee is niet alles opgelost. De deelnemers aan het gesprek verkennen de belemmeringen die er zijn, en proberen te wegen hoe die opgelost of gekeerd kunnen worden.

Ouders, de leraren, het ministerie en de pers

Eén van de deelnemers brengt de positie van ouders in het gesprek. “Ik zie ouders die zeggen ‘u ontkent het probleem van mijn kind’, of ‘ik heb er zo lang voor gevochten dat mijn kind in het so kan’. Dat is de wereld waarin ouders zijn opgegroeid en ze verwachten dat die voorzieningen er ook voor hun kinderen zijn. Zij ervaren het als gewoon een botte bezuiniging als wij oplossingen op een meer geïntegreerde manier mogelijk willen maken. De pers maakt er een verhaal van dat we kinderen zorg ontzeggen. Dat is een gevecht dat je aan moet gaan.”

De wetgever is ook niet altijd even consistent in haar opvattingen. Het beleid voor hoogbegaafdheid lokt bijvoorbeeld weer separate oplossingen uit. Ook hier geldt dat de eigen verantwoordelijkheid voor goede oplossingen dan de doorslag moet geven. ,,We moeten niet de wet overtreden, maar een beetje ongehoorzaam mag best. Wij moeten de verantwoordelijkheid nemen voor meer geïntegreerd handelen.”

Het is ook de vraag hoe leraren zullen reageren op een meer geïntegreerde benadering. Daar wordt optimistisch over gedacht. ,,Professionals moet je hun werk laten doen, die voelen zich best uitgedaagd door meer complexe vragen. Het is vooral een kwestie van toerusten en ondersteunen van professionals. Leraren klagen vooral als ze het bos in worden gestuurd door onduidelijke verwachtingen en regels.’’