Helpdesk CAO PO

Op 27 april heeft de PO-Raad met de vakbonden een onderhandelaarsakkoord gesloten voor een nieuwe cao. Als deze CAO PO 2016-2017 door de achterbannen wordt bekrachtigd, dan wijzigt een aantal regels. De informatie bij de gepubliceerde vragen en antwoorden is daarop nog niet aangepast. We doen dat zo snel mogelijk.

Welkom bij de Helpdesk. Hier kunt u antwoorden vinden op uw vragen.

Ik wil iets weten over…

Vragen en antwoorden binnen CAO PO

  • Is het toegestaan om kandidaten met een MBO-diploma sociaal pedagogisch werk of een HBO-diploma sociaal pedagogische hulpverlening aan te nemen voor de functie van onderwijsassistent?

    Voor onderwijsassistenten gelden geen wettelijke bevoegdheidseisen. Dit betekent dat u een kandidaat met een MBO-diploma sociaal pedagogisch werk of een HBO-diploma sociaal pedagogische dienstverlening kunt aannemen, indien de kandidaat aan de door het schoolbestuur gestelde functie-eisen voldoet. 

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp CAO PO.

  • Hebben partners van moeders vanaf 1 januari 2019 recht op vijf dagen kraamverlof na de geboorte van het kind?

    Vanaf 1 januari 2019 krijgen partners van de moeder recht op vijf dagen kraamverlof. Zij mogen dit opnemen in de vier weken na de geboorte van het kind. In art. 8.7 lid 1 sub l CAO PO staat dat de werknemer recht heeft op twee dagen kraamverlof. Indien er in een cao andere afspraken staan dan in de wet, gelden deze nog tot uiterlijk 1 juli 2019. Klopt het dat werknemers in het primair onderwijs tot 1 juli 2019 recht hebben op twee dagen kraamverlof? Of hebben zij vanaf 1 januari 2019 recht op vijf dagen kraamverlof?

    Werknemers in het primair onderwijs hebben vanaf 1 januari 2019 recht op vijf dagen kraamverlof. Bij de totstandkoming van de CAO PO hebben de sociale partners nooit de intentie gehad om af te wijken van de wettelijke regels omtrent het kraamverlof. De sociale partners in het primair onderwijs blijven ook na de invoering van de Wet WIEG de wet volgen.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of de onderwerpen Arbeidsrecht actueel en CAO PO.

  • Moeten we een nieuwe werknemer inschalen op basis van het laatsverdiende salaris, of op basis van de functie die hij/zij gaat uitoefenen?

    De werknemer wordt ingeschaald in de schaal passend bij de functie.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp CAO PO.

  • Een leerkracht L10 wordt in december 2018 beoordeeld en zal dan basisbekwaam worden bevonden door haar directeur. Per wanneer vindt dan inschaling in L10 in trede 4 plaats, met ingang van 1 januari 2019 of per 1 augustus 2019?

    Wanneer tijdens het beoordelingsgesprek wordt vastgesteld dat betrokkene de basisbekwaamheid heeft bereikt, wordt de werknemer in de vierde trede van zijn salarisschaal ingeschaald. Dit geldt ook voor het eerder bereiken van de vakbekwaamheid. Betrokkene wordt dan eerder in trede 8 ingeschaald. Zie artikel 6.1, leden 3 en 4, artikel 9.9, lid 9 en artikel 9.10, lid 4 cao PO.

    Als de school een beoordelingscyclus volgt waarbij in december een beoordelingsgesprek plaatsvindt (en er volgt een positieve beoordeling), dan wordt een leraar op dat moment ingeschaald in de bijbehorende salaristrede. Als de beoordelingsgesprekken pas plaatsvinden aan het einde van het schooljaar, dan vindt salarisinpassing plaats vanaf augustus.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp CAO PO.

  • Heeft een werknemer die eerder uit dienst gaat ook recht op eenmalige uitkeringen?

    In artikel 6.14d CAO PO is geregeld dat een werknemer recht heeft op een eenmalige uitkering van € 750. Daarnaast heeft een leraar recht op een eenmalige uitkering ter hoogte van 42% van het voltijdssalaris in september.

    Ook een werknemer die eerder uit dienst gaat heeft recht op deze eenmalige uitkeringen die in oktober worden uitbetaald: de eenmalige uitkering van €750 en de eenmalige uitkering van 42% (naar rato van de aanstelling en aanstellingsduur, van het maandsalaris van september).

    Beide uitkeringen worden namelijk opgebouwd in de periode van januari t/m augustus, net als de uitkering op de Dag van de Leraar. Voor leraren die op 1 september niet meer in dienst zijn, wordt de eenmalige uitkering van 42% berekend op basis van het laatstverdiende salarisbedrag.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp CAO PO.

  • Het werkverdelingsbeleid gaat uit van gesprekken op bestuursniveau, schoolniveau en werknemersniveau. Moet deze volgorde in de praktijk ook worden aangehouden?

    Juridisch gezien wel. De PGMR moet instemmen met het bestuursformatieplan en de meerjarenbegroting. Daarna pas kan de PMR instemmen met het werkverdelingsplan op schoolniveau en wordt met elke werknemer afspraken gemaakt over de inzet in het volgende schooljaar. Verder kan het proces zo worden ingericht zoals het op het eigen bestuur of op de eigen school handig is. Gesprekken over de werkverdeling kunnen in het team worden gestart voor het bestuursformatieplan definitief is. Gesprekken met individuele medewerkers kunnen al worden gevoerd voordat het teamgesprek wordt gevoerd. Hierin mag elk bestuur en elke school een eigen weg vinden en kan een natuurlijk proces worden gevolgd.

    PO-Raad en vakbonden hebben een infographic laten maken over het voeren van de gesprekken over de werkverdeling in de school. Schoolbesturen en scholen kunnen het schematische overzicht gebruiken bij de invulling van de afspraken uit de cao.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp CAO PO.

  • In de vorige cao gold voor een leraar in het SO automatisch salarisschaal LB. Hoe zit dit in de CAO PO 2018-2019?

    Klopt het dat een medewerker die op een school in het speciaal onderwijs werkt niet meer automatisch in schaal L11 terecht komt. Is schaal L10 ook een optie?

    Voor alle leraren geldt dat per 1 september 2018 de nieuwe functiebeschrijvingen worden vastgesteld en dat op grond van artikel 5.1, lid 4 CAO PO leraren LA in L10, leraren LB in L11 en leraren LC in L12 worden ingeschaald. Deze overschaling vindt automatisch plaats. Er is geen verschil meer tussen leraren in het reguliere basisonderwijs en die in het SBO/SO. Alle leraren moeten minimaal in schaal L10 worden ingeschaald.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp CAO PO.

  • Het basis- en overlegmodel zouden verdwijnen uit de CAO PO, maar deze staan nog steeds in de cao. Hoe zit dit precies?

    Het klopt dat het basis- en overlegmodel verdwijnen en dat het werkverdelingsplan wordt ingevoerd. Dit geldt echter pas vanaf schooljaar 2019/2020. In art. 2.1 cao PO staat de invoering van het werkverdelingsplan. Per 1 augustus 2019 vervalt het huidige hoofdstuk 2 en komen de artikelen uit Bijlage XXI in de plaats van het huidige hoofdstuk 2. Dit betekent wel dat werkgevers en werknemers al in het schooljaar 2018/2019 voorbereidingen moeten treffen voor de invoering van het werkverdelingsplan in schooljaar 2019/2020.

    In oktober komt er een factsheet met een toelichting op het werkverdelingsplan.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp CAO PO.

  • Hoeveel bedraagt de éénmalige uitkering en waarom is er gekozen voor deze uitkering?

    Alle medewerkers in het primair onderwijs krijgen in oktober een éénmalige uitkering van 750 euro (naar rato naar van de aanstelling en aanstellingsduur in 2018). Alle leraren (medewerkers in de L-schalen) krijgen in oktober daarbovenop een éénmalige uitkering van 42% van hun nieuwe maandsalaris (naar rato van de aanstelling en aanstellingsduur in 2018). Het geld voor de salarisverhoging is beschikbaar voor het hele jaar 2018 (vanaf 1 januari). De salarisverhogingen gaan echter pas in op 1 september. Het bedrag dat niet is uitgegeven in de eerste acht maanden van 2018, is omgerekend naar een eenmalige uitkering.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp CAO PO.

  • In artikel 6.17 (overlijdensuitkering) van de cao is o.a. opgenomen dat meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters voor wie de overledene kostwinner was in aanmerking komen voor een uitkering bij overlijden. Wat wordt verstaan onder “kostwinner”?

    Onder het begrip kostwinner moet het volgende worden verstaan:

    Een overledene wordt geacht kostwinner te zijn geweest indien de nabestaande geheel of grotendeels afhankelijk was van zijn of haar inkomen (van de overledene). Bepalend of iemand kostwinner was, is derhalve de (mate van) afhankelijkheid van het inkomen. Een nabestaande is (geheel of grotendeels) afhankelijk van het inkomen van de overledene indien door de overledene (grotendeels) werd voorzien in de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud. Anders gezegd, de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, kwamen (voor het merendeel) ten laste van de overledene.

    Daarnaast moet worden vastgesteld wanneer de nabestaande grotendeels afhankelijk is van het inkomen van de overledene. Van afhankelijkheid is in ieder geval geen sprake wanneer een nabestaande voor meer dan 50% bijdroeg aan het totale inkomen. Uit deze laatste vaststelling mag echter niet de conclusie worden getrokken dat wanneer de overledene voor meer dan 50% bijdroeg aan het totale inkomen hij of zij geacht kan worden kostwinner te zijn geweest. Criterium is immers de (mate van) afhankelijkheid, waarvoor bepalend zijn de kosten van levensonderhoud (de noodzakelijke kosten van bestaan). Er moet worden vastgesteld dat door een nabestaande niet, althans niet voldoende, in de eigen kosten van levensonderhoud kon worden voorzien. Als houvast kan hiervoor worden aangehouden dat de kosten voor levensonderhoud 50% van het totale inkomen bedragen. Wanneer bovendien meer dan 50% van de kosten voor levensonderhoud voor rekening van de overledene moesten komen, kan worden vastgesteld dat de nabestaande grotendeels afhankelijk was van het inkomen van de overledene. Anders gezegd; er moet worden vastgesteld of de eigen inkomsten van de nabestaande minstens de helft van de kosten voor levensonderhoud niet overschreden.

    In een voorbeeld geïllustreerd:

    Inkomen overledene   3000 euro
    Inkomen nabestaande 2000 euro
    Totaal  5000 euro
    Kosten levensonderhoud 2500 euro (50% totale inkomen)
    Grootste deel grens 1250 euro

    Conclusie: hoewel de overledene voor meer dan 50% bijdroeg aan de totale inkomsten kan niet worden gezegd dat deze ten aanzien van de nabestaande grotendeels in de kosten van levensonderhoud voorzag. De inkomsten van de nabestaande bedroegen meer dan e 1.250,--. Overledene was derhalve geen kostwinner.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp CAO PO.

Pagina's