Juridische Helpdesk

Tekst

Welkom bij de Juridische Helpdesk. Hier kunt u antwoorden vinden op uw vragen.

Ik wil iets weten over…

Vragen en antwoorden over

  • Valt lunchtijd bij een continuerooster onder onderwijstijd?

    Het is aan de school om te bepalen of zij de leerlingen wil verplichten in de pauze op school te blijven (schooltijd) en of men de pauze mee wil laten tellen als onderwijstijd. Conform de regelgeving rond de medezeggenschap (WMS artikel 13, eerste lid, onder h van de WMS) kan dit alleen met instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen is gekozen. Dat deel van de MR heeft instemmingsrecht als het gaat om de vaststelling van de onderwijstijd.

    Als de pauze is aangewezen als (verplicht) onderdeel van een continurooster hanteert de inspectie een aantal uitgangspunten voor de beoordeling van de vraag of lunchtijd gerekend kan worden tot onderwijstijd:

    • De onderwijsactiviteiten die tijdens de lunch worden uitgevoerd dienen in overeenstemming te zijn met de wettelijke opdrachten voor het onderwijs (art. 9 van de WPO).
    • De onderwijsactiviteiten die tijdens de lunch worden uitgevoerd dienen in overeenstemming te zijn met de eigen opdrachten voor het onderwijs die de school zich stelt zijn uitgewerkt in een onderwijsprogramma en staan beschreven in het schoolplan van de school (artikel 12, tweede lid van de WPO).
    • In de schoolgids is informatie opgenomen over de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut (artikel 13, eerste lid, onder d van de Wpo). Het door de ouders of de leerlingen gekozen deel van de MR moet van tevoren hebben ingestemd met het aanmerken van lunchtijd als onderwijstijd (artikel 13, eerste lid, onder h van de WMS) en met de vaststelling van de schoolgids (artikel 13, eerste lid, onder g van de WMS). Bovendien moeten de ouders worden geraadpleegd voorafgaand aan het nemen van een besluit over het vaststellen van de onderwijstijd (WMS, Art. 15 lid 3). Zie:  Lunchtijd en onderwijstijd | Onderwijstijd | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie.nl)

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp Cao primair onderwijs.

  • Moet de werkgever na het eerste ziektejaar de pensioenpremie voor 100% doorbetalen voor wat betreft het werkgeversdeel en voor 30% voor wat betreft het werknemersdeel?

    Een zieke werknemer blijft volledig pensioen opbouwen op grond van het Pensioenreglement ABP: “Als een deelnemer in een dienstverhouding door ziekte, verlof, of een andere hem persoonlijk betreffende omstandigheid zijn inkomen niet of niet volledig geniet, wordt onder pensioengevend inkomen verstaan het inkomen dat voor hem zou hebben gegolden als die omstandigheid zich niet zou hebben voorgedaan”.

    In de Pensioenovereenkomst staat: Van de overheidswerknemer die slechts een gedeelte van zijn inkomen geniet omdat hij wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking uit te oefenen, wordt het premieverhaal naar evenredigheid verminderd. 

    Dit houdt in dat de pensioenopbouw van de zieke werknemer 100% is en dat de werkgever zorgt voor volledige afdracht van de premie. De korting op het salaris van 30% houdt in dat de werknemer over 70% van zijn inkomen het werknemersdeel van de pensioenpremie afdraagt. Het restant komt derhalve voor rekening van de werkgever. 

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp Pensioen.

  • Wat kan er beter aan de verantwoording?

    Hoewel schoolbesturen in het primair onderwijs verantwoording afleggen over publiek geld door middel van het jaarverslag, kan de sector zich nog verder ontwikkelen op het gebied van verantwoording.

    Conform de Code Goed Bestuur worden schoolbesturen geacht het jaarverslag op hun website te publiceren. Dit kan beter, want niet alle besturen doen dit. Tegelijkertijd wil de sector zelf werk maken van zogenoemde horizontale verantwoording, waarbij een bestuur met schoolteams, ouders, lokale partijen om de school en collega besturen het gesprek voert over beleidskeuzes. Mede als gevolg van wet- en regelgeving verantwoorden besturen zich nu vooral aan de Inspectie van het Onderwijs en de eigen Raad van Toezicht. Dat heet ‘verticale verantwoording’

    In de Strategische Agenda van de PO-Raad is afgesproken dat besturen zelf het goede voorbeeld geven, zich proactief verantwoorden en andere besturen aanspreken wanneer dit nodig is. De sector moet de samenleving meer laten zien wat ze doet met publiek geld. Ieder bestuur verantwoordt zich actief over zijn eigen kwaliteit en dat van zijn scholen via onder meer jaarverslagen en Scholen op de kaart. Daarmee draagt het ook bij aan verantwoording van de sector als geheel.

    Daarnaast zet de PO-Raad actief in op horizontale verantwoording door het voeren van de horizontale dialoog met schoolteams, ouders, collega-besturen, partijen rondom de school zoals kinderopvangorganisaties en jeugdzorg. Daarbij hebben ze oog voor de lokale situatie en gaan ze steeds het gesprek aan met hun omgeving. Waar het nodig is om de onderwijskwaliteit op peil te houden, of te verbeteren, werken besturen samen.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Hoe verantwoorden schoolbesturen zich over hun uitgaven?

    Schoolbesturen leveren hierover jaarlijks honderden cijfers en gegevens aan bij DUO. Dat is bij wet verplicht. Al niet privacygevoelige gegevens staan als open data op de website van Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van OCW. Daarnaast is een schoolbestuur verplicht om zich in het jaarverslag (bestuursverslag en jaarrekening) op hoofdlijnen te verantwoorden over wat het van plan was (doelen), wat daarvan terecht is gekomen (resultaten) en wat het effect van dit alles is geweest op de (toekomstige) financiële positie. Van iedere euro verantwoorden waar deze aan is uitgegeven, is onbegonnen bureaucratisch werk.

    Overigens gelden voor alle besturen dezelfde regels. Eénpitters, scholen met een vrijwillig ouderbestuur en grote besturen moeten allemaal dezelfde verantwoording afleggen. Voor éénpitters is dit een flinke en ingewikkelde klus omdat zij in tegenstelling tot de iets grotere besturen hierbij veelal geen professionele hulp hebben.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Waarom krijgen schoolbesturen lumpsum en is het geld niet geoormerkt?

    Diverse onderzoeken hebben uitgewezen dat de lumpsum bovendien heeft geleid tot beter en doelmatiger onderwijs en past bij de manier waarop wij het onderwijs in Nederland hebben ingericht (McKinsey-analyse ‘How the world’s most improved school systems keep getting better‘, een studie van de OECD, een reviewstudie van het CPB). Ook voormalig minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) stelden in mei 2016 dat de lumpsumsystematiek van waarde is voor de kwaliteit van het onderwijs. De alternatieven die de bewindslieden hebben laten onderzoeken, leverden geen betere uitkomsten.

    Ook de Onderwijsraad verkiest in zijn rapport ‘Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden’ van juli 2018 de lumpsum boven alternatieve bekostigingsmethoden. ‘De lumpsum doet het meest recht aan de autonomie van onderwijsinstellingen en waarborgt de stabiliteit en continuïteit van bekostiging en onderwijsbeleid’, aldus de Onderwijsraad.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Waarop is de bekostiging van het primair onderwijs gebaseerd?

    Schoolbesturen ontvangen jaarlijks een bedrag van de overheid waarmee ze in overleg met de ouders, personeel en andere stakeholders al hun uitgaven moeten doen. Deze systematiek heet de lumpsum. Het bedrag dat scholen en hun besturen ontvangen, bestaat uit twee afzonderlijke delen: personele en materiële lumpsum.

    Waar de opbouw van de lumpsum onvoldoende rekening mee houdt, zijn nieuwe en veranderende taken die scholen in de loop van de jaren hebben gekregen. De bekostiging houdt bijvoorbeeld geen rekening met het feit dat van schoolbesturen nu wordt verwacht dat zij strategisch HR-beleid moeten voeren, investeren in toekomstbestendig onderwijs en meer met ICT werken, voldoen aan strengere eisen rondom burgerschap, sociale veiligheid, verantwoording en privacy.

    De lumpsum is grofweg opgebouwd uit twee delen: de personele en materiële lumpsum. Die worden ieder op een eigen manier berekend:

    Personele lumpsum: Het aantal leerlingen dat de school telde op 1 oktober van het voorgaande schooljaar (T-1 bekostiging), bepaalt voor het overgrote deel hoeveel personele lumpsum een schoolbestuur ontvangt. De lumpsum houdt er rekening mee dat ouder personeel meestal meer verdient dan jonger personeel. Ook krijgen scholen voor speciaal onderwijs meer geld per leerling. De personele lumpsum wordt overigens toegekend per schooljaar, terwijl de indexatie hiervoor is gebaseerd op een kalenderjaar. Mede hierdoor weten scholen pas enkele maanden na het einde van het schooljaar wat de bekostiging van dat (afgelopen) schooljaar daadwerkelijk was.

    Materiële lumpsum ofwel de vaste lasten: Deze is er voor bekostiging van zowel het gebouw (onderhoud, schoonmaak, energiekosten) en voor materiële kosten voor het geven van onderwijs (ICT-voorzieningen, lesmateriaal, meubilair). Het ministerie van OCW past de vergoeding elk jaar aan de prijsontwikkelingen aan. Eens in de vijf jaar bekijkt een extern bureau in opdracht van het ministerie van OCW de vergoedingen en beoordeelt deze of de vergoeding voldoende is voor een gemiddelde school. Dit is wettelijk voorgeschreven. Om onduidelijke redenen is dit sinds 2004 niet meer gebeurd.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Wat zegt het vermogen van een school over zijn financiële situatie?

    Een misverstand is dat het ‘vermogen’ gewoon als spaarpot op een bankrekening staat. Met het vermogen worden ook goederen meegerekend zoals lesmaterialen, computers in de school en bureaus. Ook zullen schoolbesturen geld moeten reserveren om grotere toekomstige uitgaven te kunnen doen, bijvoorbeeld voor nieuwe lesmaterialen en ICT-investeringen. Hoeveel en waarvoor ze geld reserveren, stemmen schoolbesturen af met hun Raad van Toezicht. Daarbij staat voorop dat het geld goed besteed moet worden aan de ondersteuning van leerlingen. Sparen mag geen doel op zich zijn. Dat het vermogen van het primair onderwijs de afgelopen jaren is gestegen, betekent dus niet per definitie dat scholen rijk zijn. Juist omdát het per school verschilt waarvoor ze geld moeten reserveren, is het bepalen van rijkdom maatwerk op bestuursniveau, zo bleek al eerder uit onderzoek van de inspectie, Een groeiend vermogen roept wel het beeld op dat schoolbesturen rijk zijn. Dit onderstreept de noodzaak dat schoolbesturen beter uitleggen hoe hun financiële situatie is (Zie ook Hoe verantwoorden schoolbesturen zich over hun uitgaven?). Meer weten? Lees ook het artikel ‘Altijd weer die grote getallen. De financiën in het po toegelicht

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Is schoolbekostiging een goed idee?

    In het huidige systeem worden schoolbesturen bekostigd. Tweede Kamerlid Paul van Meenen (D66) opperde dat het eigenlijk best een goed idee zou zijn om scholen te bekostigen in plaats van schoolbesturen. Van Meenen vindt dat geld voor onderwijs beter zal worden besteed als geld niet langer via hun schoolbesturen bij scholen terecht komt. Dat klopt niet, stelt de PO-Raad. De sectororganisatie checkte de uitspraken van Paul van Meenen. De uitkomsten zijn hier te lezen.

    In 2010 heeft André Rouvoet, de toenmalige minister van Onderwijs, overigens al eens gekeken naar de mogelijkheden van verdere decentralisatie. Zijn conclusie was toen dat ‘het weghalen van de exclusieve verantwoordelijkheid voor het financieel beleid bij het bevoegd gezag c.q. het schoolbestuur al gauw indruist tegen de vrijheid van stichting, richting en inrichting’. Ook wijst hij op het gevaar van een ‘onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling die kan leiden tot impasses in de besluitvorming binnen de rechtspersoon. Het bestuur kan niet langer worden aangesproken op de kwaliteit van het onderwijs.’

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Wat is waar? Er is de afgelopen jaren meer geld per leerling naar het primair onderwijs gegaan of er is op bezuinigd?

    Er is de afgelopen jaren meer geld gegaan naar het primair onderwijs. Toch leidde dit niet tot meer ruimte in de begroting van schoolbesturen, sterker nog deze ruimte is de afgelopen jaren fors afgenomen. En wel om de volgende redenen:

    De extra investeringen (de plussen) zijn volledig opgegaan aan extra kosten voor nieuwe taken/verantwoordelijkheden. Denk in dit kader aan extra geld voor salaris leerkrachten en aanpak werkdruk. Dit extra geld heeft dus géén positief effect gehad op de begroting van schoolbesturen.

     Bron: beantwoording feitelijke vragen begroting 2018; tabel 4, p.15 en begroting 2019, pagina 25)

    Er is ook bezuinigd op het primair onderwijs, en deze minnen gingen niet gepaard met minder taken en komen daarmee ten laste van de basisbekostiging. Dit heeft een negatief effect op de begroting van schoolbesturen.

    Bron: beantwoording feitelijke vragen begroting 2018; tabel 3, p.15 en begroting 2019, p.25)

    Scholen hebben ook te maken met niet gecompenseerde kostenstijgingen. Dit heeft een negatief effect op de begroting van schoolbesturen.

    Bron: PO-Raad, o.b.v. rapporten ARK (2013) en Berenschot (2017)

    Scholen hebben ook te maken gekregen met extra eisen, taken en verantwoordelijkheden waar géén extra middelen voor gegeven zijn. Denk in dit kader aan: HR-beleid, financieel management, ICT, burgerschap, sociale veiligheid, AVG, (financiële) verantwoording, etc. Ook dit heeft een negatief effect op de begroting van schoolbesturen (deze kosten zijn niet gekapitaliseerd / niet meegenomen in onderstaand overzicht)

    Per saldo gaan de plussen volledig op aan extra kosten voor nieuwe taken/verantwoordelijkheden. De minnen zijn sinds Rutte I (2013) t/m begroting 2019 opgelopen tot ruim €1,0 mld./ ca. €700 per lln = ca. €150.000 per gemiddelde school (= excl. kosten van niet bekostigde extra taken)

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Hoeveel bekostiging ontvangen schoolbesturen per leerling?

    Als je kijkt naar alle kosten op van het primair onderwijs op de begroting 2020 van het ministerie van OCW, (excl. apparaatskosten OCW), dan kom je uit op een bedrag van €7.800,- per leerling in 2020. In deze berekening zitten echter ook geldstromen die niet naar schoolbesturen gaan. Denk hierbij aan bekostiging Nederlands onderwijs in het buitenland, humanistisch vormingsonderwijs en de onderwijsachterstandsmiddelen die gemeenten ontvangen.

    De bekostiging die daadwerkelijk naar schoolbesturen gaat is in 2020 €7.400. Hier is echter ook de volledige bekostiging van samenwerkingsverbanden in het po, speciaal basisonderwijs en zware ondersteuning in het po en vo in verwerkt. Hier valt ook het vso onder, aangezien deze bekostigd wordt vanuit het primair onderwijs op de begroting van het ministerie van OCW. Zonder de ondersteuningsbekostiging komt het bedrag per leerling uit op circa €6.100 per leerling.

    Hier valt ook onder andere ook de volgende bijzondere bekostiging onder; kleine scholentoeslag, onderwijsachterstandsmiddelen, regelingen voor onderwijs aan asielzoekers en nieuwkomerskinderen. Een school van 220 leerlingen (gemiddelde schoolgrootte in Nederland) zonder dergelijke bijzondere bekostiging, ontvangt per schooljaar 2019/2020 circa € 5.450 per leerling. Dit gemiddelde bedrag per leerling is als gevolg van extra geld voor lerarensalarissen en de werkdrukmiddelen uit het Werkdrukakkoord ten opzichte van 2017/2018 behoorlijk gestegen. Dit bedrag was toen €4.959 per leerling.

    De cijfers zijn na te lezen in deze Cijfers OCW begroting 2020.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

Pagina's