Juridische Helpdesk

Tekst

Welkom bij de Juridische Helpdesk. Hier kunt u antwoorden vinden op uw vragen.

Ik wil iets weten over…

Vragen en antwoorden over

  • Wat verdient een leraar in het primair onderwijs?

    In deze salaristabellen vind je de actuele salarissen van leraren.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Hoe bepaal je het individueel professionaliseringsbudget?

    Moeten wij bij het bepalen van de hoogte van het individueel professionaliseringsbudget rekening houden met de gemiddelde wtf van desbetreffend kalenderjaar of moeten we rekening houden met een andere methodiek?

    De hoogte van het professionaliseringsbudget in art 9.3 lid 2 cao po in tijd en geld wordt berekend naar rato van de werktijdfactor per schooljaar en naar rato van hoelang de werknemer dat schooljaar in dienst is. Dus niet per kalenderjaar omdat overeenkomstig de definitie in artikel 1.1. cao po met ’jaar’ in artikel 9.3. cao po een schooljaar wordt bedoeld. Een schooljaar loopt van 1 augustus tot en met 31 juli.

    Elke werknemer in het OP en OOP heeft naar rato van de werktijdfactor recht op een individueel professionaliseringsbudget van € 500,= netto per jaar en 2 uren per werkweek (art 9.3 lid 2 cao po) per schooljaar.

    Het individuele scholingsbudget voor 2020 en 2021 is verhoogd met €100,=  per jaar naar rato van de werktijdfactor (artikel 9.8 lid 2 cao po). 

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp Werkgeverszaken.

  • Het artikel 4.6b uit de CAO PO 2018-2019 over het min-max contract is niet meer in de huidige cao opgenomen. Is een min-max contract nog wel mogelijk?

    Hoofdstuk 4, waaronder artikel 4.6b CAO is in verband met de inwerkingtreding Wet normalisering wetspositie ambtenaren (Wnra) uit de cao gehaald omdat cao-partners ‘overbodige’ artikelen wilden schrappen. Het min-max contract kan namelijk ook op grond van het Burgerlijk Wetboek worden aangegaan. Het is dus niet zo dat het bewuste artikel uit de cao gehaald is, omdat het aangaan van een min-max contract cao-technisch niet meer zou kunnen of mogen. 

    Werkgevers kunnen dus nog steeds een min-max contract aangaan. Volgens artikel 6.1 lid 3 CAO PO bedraagt de minimale betrekkingsomvang 8 uur per week en voor incidentele vervangingen van één dag of minder 5 uur. De maximale betrekkingsomvang is 48 uur per week. 

    Als gevolg van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) dient de werkgever bij voortzetting van het dienstverband de oproepkracht na 12 maanden een aanbod te doen voor een vast aantal uren (artikel 7:628a lid 5 BW). Dat aantal uren moet minimaal gelijk zijn aan de gemiddelde arbeidsomvang in de afgelopen 12 maanden. Laat de werkgever het aanbod achterwege, dan heeft de werknemer toch recht op loon voor het aantal uren waarvoor hij een aanbod had moeten ontvangen. De werkgever doet het aanbod uiterlijk op de laatste dag van de dertiende maand. De werknemer heeft ten minste een maand bedenktijd. 

    De werknemer is ook niet verplicht het aanbod te aanvaarden. Willen werkgever en werknemer beiden op oproepbasis verder gaan, dan mag dat. Als zij overeenkomen om op oproepbasis met elkaar verder te gaan, dan moet de werknemer, als er weer 12 maanden verstreken zijn, wederom een aanbod voor een vaste arbeidsomvang krijgen. Zie verder ook De Wet arbeidsmarkt in balans en oproepovereenkomsten | PO-Raad 

  • Mag een werkgever bij het aangaan van een tijdelijke arbeidsovereenkomst al aanzeggen als al duidelijk is dat er geen sprake zal zijn van een opvolgende arbeidsovereenkomst?

    Ja, de werkgever die bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst al weet dat er geen opvolgende arbeidsovereenkomst zal worden aangegaan, mag dan al schriftelijk aangeven (aanzeggen) dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt voortgezet, bijvoorbeeld door dit op te nemen in de arbeidsovereenkomst.

    Mocht de werkgever besluiten de arbeidsovereenkomst toch wel te willen verlengen, dan dient hij een nieuwe – schriftelijke - aanzegging te doen, waarmee hij zijn wens aangeeft de arbeidsovereenkomst te verlengen en onder welke voorwaarden. De nieuwe aanzegging kan bijvoorbeeld plaatsvinden door op dat moment een nieuwe tijdelijke arbeidsovereenkomst aan te gaan.

    Doet de werkgever de nieuwe aanzegging niet (tijdig), dan bestaat het risico dat niet is voldaan aan de aanzegplicht en de werkgever een vergoeding moet betalen aan de werknemer wegens het niet (tijdig) aanzeggen. De werkgever is met zijn wens tot verlenging immers teruggekomen op zijn eerdere aanzegging. Over het algemeen zal dit in de praktijk geen problemen opleveren. De meeste werknemers zijn namelijk blij dat hun arbeidsovereenkomst alsnog wordt verlengd en zullen de rechter niet verzoeken om de werkgever te veroordelen tot betaling van de aanzegvergoeding.

    Er bestaat een kans dat, ondanks dat bij voorbaat een aanzegbeding is opgenomen, toch een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat bij de werknemer dat de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet (ook als dat uiteindelijk in de praktijk niet gebeurt). Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien werkgever en werknemer ondanks de aanzegging in de arbeidsovereenkomst binnen een maand voor einddatum uitvoerig overleggen over een voortzetting van het dienstverband, mogelijk voor andere uren of aangepaste of meer uitgebreide werkzaamheden, zonder dat de consequentie van de beëindiging van het dienstverband van rechtswege per einddatum alsnog expliciet is besproken. De enkele ‘bevestiging’ van de werkgever dat het dienstverband alsnog van rechtswege eindigt enkele dagen voor het daadwerkelijk einde is dan niet voldoende. Dergelijk handelen is in strijd met het goed werkgeverschap en de werkgever is dan alsnog een aanzegvergoeding verschuldigd. Zie ook bericht van Van Zeijl Bijl Aartsen Advocaten.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp Strategisch HRM.

  • Valt lunchtijd bij een continuerooster onder onderwijstijd?

    Het is aan de school om te bepalen of zij de leerlingen wil verplichten in de pauze op school te blijven (schooltijd) en of men de pauze mee wil laten tellen als onderwijstijd. Conform de regelgeving rond de medezeggenschap (WMS artikel 13, eerste lid, onder h van de WMS) kan dit alleen met instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen is gekozen. Dat deel van de MR heeft instemmingsrecht als het gaat om de vaststelling van de onderwijstijd.

    Als de pauze is aangewezen als (verplicht) onderdeel van een continurooster hanteert de inspectie een aantal uitgangspunten voor de beoordeling van de vraag of lunchtijd gerekend kan worden tot onderwijstijd:

    • De onderwijsactiviteiten die tijdens de lunch worden uitgevoerd dienen in overeenstemming te zijn met de wettelijke opdrachten voor het onderwijs (art. 9 van de WPO).
    • De onderwijsactiviteiten die tijdens de lunch worden uitgevoerd dienen in overeenstemming te zijn met de eigen opdrachten voor het onderwijs die de school zich stelt zijn uitgewerkt in een onderwijsprogramma en staan beschreven in het schoolplan van de school (artikel 12, tweede lid van de WPO).
    • In de schoolgids is informatie opgenomen over de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut (artikel 13, eerste lid, onder d van de Wpo). Het door de ouders of de leerlingen gekozen deel van de MR moet van tevoren hebben ingestemd met het aanmerken van lunchtijd als onderwijstijd (artikel 13, eerste lid, onder h van de WMS) en met de vaststelling van de schoolgids (artikel 13, eerste lid, onder g van de WMS). Bovendien moeten de ouders worden geraadpleegd voorafgaand aan het nemen van een besluit over het vaststellen van de onderwijstijd (WMS, Art. 15 lid 3). Zie:  Lunchtijd en onderwijstijd | Onderwijstijd | Inspectie van het onderwijs (onderwijsinspectie.nl)

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp Cao primair onderwijs.

  • Moet de werkgever na het eerste ziektejaar de pensioenpremie voor 100% doorbetalen voor wat betreft het werkgeversdeel en voor 30% voor wat betreft het werknemersdeel?

    Een zieke werknemer blijft volledig pensioen opbouwen op grond van het Pensioenreglement ABP: “Als een deelnemer in een dienstverhouding door ziekte, verlof, of een andere hem persoonlijk betreffende omstandigheid zijn inkomen niet of niet volledig geniet, wordt onder pensioengevend inkomen verstaan het inkomen dat voor hem zou hebben gegolden als die omstandigheid zich niet zou hebben voorgedaan”.

    In de Pensioenovereenkomst staat: Van de overheidswerknemer die slechts een gedeelte van zijn inkomen geniet omdat hij wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking uit te oefenen, wordt het premieverhaal naar evenredigheid verminderd. 

    Dit houdt in dat de pensioenopbouw van de zieke werknemer 100% is en dat de werkgever zorgt voor volledige afdracht van de premie. De korting op het salaris van 30% houdt in dat de werknemer over 70% van zijn inkomen het werknemersdeel van de pensioenpremie afdraagt. Het restant komt derhalve voor rekening van de werkgever. 

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp Pensioen.

  • Wat kan er beter aan de verantwoording?

    Hoewel schoolbesturen in het primair onderwijs verantwoording afleggen over publiek geld door middel van het jaarverslag, kan de sector zich nog verder ontwikkelen op het gebied van verantwoording.

    Conform de Code Goed Bestuur worden schoolbesturen geacht het jaarverslag op hun website te publiceren. Dit kan beter, want niet alle besturen doen dit. Tegelijkertijd wil de sector zelf werk maken van zogenoemde horizontale verantwoording, waarbij een bestuur met schoolteams, ouders, lokale partijen om de school en collega besturen het gesprek voert over beleidskeuzes. Mede als gevolg van wet- en regelgeving verantwoorden besturen zich nu vooral aan de Inspectie van het Onderwijs en de eigen Raad van Toezicht. Dat heet ‘verticale verantwoording’

    In de Strategische Agenda van de PO-Raad is afgesproken dat besturen zelf het goede voorbeeld geven, zich proactief verantwoorden en andere besturen aanspreken wanneer dit nodig is. De sector moet de samenleving meer laten zien wat ze doet met publiek geld. Ieder bestuur verantwoordt zich actief over zijn eigen kwaliteit en dat van zijn scholen via onder meer jaarverslagen en Scholen op de kaart. Daarmee draagt het ook bij aan verantwoording van de sector als geheel.

    Daarnaast zet de PO-Raad actief in op horizontale verantwoording door het voeren van de horizontale dialoog met schoolteams, ouders, collega-besturen, partijen rondom de school zoals kinderopvangorganisaties en jeugdzorg. Daarbij hebben ze oog voor de lokale situatie en gaan ze steeds het gesprek aan met hun omgeving. Waar het nodig is om de onderwijskwaliteit op peil te houden, of te verbeteren, werken besturen samen.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Hoe verantwoorden schoolbesturen zich over hun uitgaven?

    Schoolbesturen leveren hierover jaarlijks honderden cijfers en gegevens aan bij DUO. Dat is bij wet verplicht. Al niet privacygevoelige gegevens staan als open data op de website van Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van OCW. Daarnaast is een schoolbestuur verplicht om zich in het jaarverslag (bestuursverslag en jaarrekening) op hoofdlijnen te verantwoorden over wat het van plan was (doelen), wat daarvan terecht is gekomen (resultaten) en wat het effect van dit alles is geweest op de (toekomstige) financiële positie. Van iedere euro verantwoorden waar deze aan is uitgegeven, is onbegonnen bureaucratisch werk.

    Overigens gelden voor alle besturen dezelfde regels. Eénpitters, scholen met een vrijwillig ouderbestuur en grote besturen moeten allemaal dezelfde verantwoording afleggen. Voor éénpitters is dit een flinke en ingewikkelde klus omdat zij in tegenstelling tot de iets grotere besturen hierbij veelal geen professionele hulp hebben.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Waarom krijgen schoolbesturen lumpsum en is het geld niet geoormerkt?

    Diverse onderzoeken hebben uitgewezen dat de lumpsum bovendien heeft geleid tot beter en doelmatiger onderwijs en past bij de manier waarop wij het onderwijs in Nederland hebben ingericht (McKinsey-analyse ‘How the world’s most improved school systems keep getting better‘, een studie van de OECD, een reviewstudie van het CPB). Ook voormalig minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) stelden in mei 2016 dat de lumpsumsystematiek van waarde is voor de kwaliteit van het onderwijs. De alternatieven die de bewindslieden hebben laten onderzoeken, leverden geen betere uitkomsten.

    Ook de Onderwijsraad verkiest in zijn rapport ‘Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden’ van juli 2018 de lumpsum boven alternatieve bekostigingsmethoden. ‘De lumpsum doet het meest recht aan de autonomie van onderwijsinstellingen en waarborgt de stabiliteit en continuïteit van bekostiging en onderwijsbeleid’, aldus de Onderwijsraad.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Waarop is de bekostiging van het primair onderwijs gebaseerd?

    Schoolbesturen ontvangen jaarlijks een bedrag van de overheid waarmee ze in overleg met de ouders, personeel en andere stakeholders al hun uitgaven moeten doen. Deze systematiek heet de lumpsum. Het bedrag dat scholen en hun besturen ontvangen, bestaat uit twee afzonderlijke delen: personele en materiële lumpsum.

    Waar de opbouw van de lumpsum onvoldoende rekening mee houdt, zijn nieuwe en veranderende taken die scholen in de loop van de jaren hebben gekregen. De bekostiging houdt bijvoorbeeld geen rekening met het feit dat van schoolbesturen nu wordt verwacht dat zij strategisch HR-beleid moeten voeren, investeren in toekomstbestendig onderwijs en meer met ICT werken, voldoen aan strengere eisen rondom burgerschap, sociale veiligheid, verantwoording en privacy.

    De lumpsum is grofweg opgebouwd uit twee delen: de personele en materiële lumpsum. Die worden ieder op een eigen manier berekend:

    Personele lumpsum: Het aantal leerlingen dat de school telde op 1 oktober van het voorgaande schooljaar (T-1 bekostiging), bepaalt voor het overgrote deel hoeveel personele lumpsum een schoolbestuur ontvangt. De lumpsum houdt er rekening mee dat ouder personeel meestal meer verdient dan jonger personeel. Ook krijgen scholen voor speciaal onderwijs meer geld per leerling. De personele lumpsum wordt overigens toegekend per schooljaar, terwijl de indexatie hiervoor is gebaseerd op een kalenderjaar. Mede hierdoor weten scholen pas enkele maanden na het einde van het schooljaar wat de bekostiging van dat (afgelopen) schooljaar daadwerkelijk was.

    Materiële lumpsum ofwel de vaste lasten: Deze is er voor bekostiging van zowel het gebouw (onderhoud, schoonmaak, energiekosten) en voor materiële kosten voor het geven van onderwijs (ICT-voorzieningen, lesmateriaal, meubilair). Het ministerie van OCW past de vergoeding elk jaar aan de prijsontwikkelingen aan. Eens in de vijf jaar bekijkt een extern bureau in opdracht van het ministerie van OCW de vergoedingen en beoordeelt deze of de vergoeding voldoende is voor een gemiddelde school. Dit is wettelijk voorgeschreven. Om onduidelijke redenen is dit sinds 2004 niet meer gebeurd.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

Pagina's