Helpdesk

Op 27 april heeft de PO-Raad met de vakbonden een onderhandelaarsakkoord gesloten voor een nieuwe cao. Als deze CAO PO 2016-2017 door de achterbannen wordt bekrachtigd, dan wijzigt een aantal regels. De informatie bij de gepubliceerde vragen en antwoorden is daarop nog niet aangepast. We doen dat zo snel mogelijk.

Welkom bij de Helpdesk. Hier kunt u antwoorden vinden op uw vragen.

Ik wil iets weten over…

Vragen en antwoorden over

  • Hoe verhoudt gegevenslevering voor het lerarenregister zich tot de voorwaarden zoals gesteld in de AVG?

    De Wet beroep leraren en het daarop gebaseerde Besluit gegevenslevering zijn wat betreft de verwerking van persoonsgegevens door OCW beide uitvoerig getoetst aan onder meer de beginselen van noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit om te bepalen of een inperking op de bescherming van persoonsgegevens, waar ook de AVG op ziet, is gerechtvaardigd.

    De AVG bepaalt voorts dat gegevensverwerking gerechtvaardigd is als het doel van de verwerking te baseren is op ten minste één van de zes AVG grondslagen. Het nakomen van een wettelijke verplichting is zo’n grondslag. Dat de Wet beroep leraren nog niet volledig in werking is, doet er niet aan af dat de gegevenslevering door scholen aan DUO op een wettelijke grondslag berust.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Opleiden, ontwikkelen en onderzoeken en Werkgeverszaken of de onderwerpen HRM en Opleiden en ontwikkelen leraren .

  • Hoeveel bedraagt de éénmalige uitkering en waarom is er gekozen voor deze uitkering?

    Alle medewerkers in het primair onderwijs krijgen in oktober een éénmalige uitkering van 750 euro (naar rato naar van de aanstelling en aanstellingsduur in 2018). Alle leraren (medewerkers in de L-schalen) krijgen in oktober daarbovenop een éénmalige uitkering van 42% van hun nieuwe maandsalaris (naar rato van de aanstelling en aanstellingsduur in 2018). Het geld voor de salarisverhoging is beschikbaar voor het hele jaar 2018 (vanaf 1 januari). De salarisverhogingen gaan echter pas in op 1 september. Het bedrag dat niet is uitgegeven in de eerste acht maanden van 2018, is omgerekend naar een eenmalige uitkering.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp Cao primair onderwijs.

  • Mag een school elk jaar klassenlijsten verstrekken aan ouders?

    Dat mag alleen met toestemming. Op basisscholen worden er vaak klassenlijsten of telefoonlijsten uitgedeeld met namen, adressen en telefoonnummers (van ouders) van leerlingen. Deze gegevens zijn persoonsgegevens en vallen dus onder de privacywetgeving. Het delen van deze gegevens gebeurt niet in het kader van het geven van onderwijs. Het is daarmee noodzakelijk om de ouders (vooraf) toestemming te vragen voor het delen van de gegevens met andere ouders/leerlingen. Bedenk dat het delen van die adressenlijsten niet nodig is om goed onderwijs te geven.

    Een school kan, als alternatief voor het verspreiden van de klassenlijst, er ook voor kiezen om de klasse-ouder (als enige) in de klas een adressenlijst te geven voor calamiteiten. Met deze ouder maakt de school de afspraak dat de lijst vertrouwelijk moet zijn. Als er bijvoorbeeld een adres van een ouder nodig is na schooltijd, dan kan de klasse-ouder altijd bij de adressenlijst.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema School, kind & omgeving of het onderwerp Privacy.

  • Hoeveel gaat mijn schoolbestuur er op voor- of achteruit met de invoering van het nieuwe onderwijsachterstandenbeleid?

    In de toolbox staat een lijst met uw OAB-bedrag in schooljaar 2018-2019, het uiteindelijke nieuwe bedrag, het verschil daartussen, en het bedrag dat het bestuur/de school in schooljaar 2019-2020 ontvangt. 

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema School, kind & omgeving of het onderwerp Onderwijsachterstanden.

  • Onze school wil een nieuw ontwikkelingsperspectief ontwikkelen. Zijn er sinds 2013 nieuwe richtlijnen gemaakt?

    De richtlijnen voor het ontwikkelingsperspectief (OPP) zijn aangescherpt. Inmiddels is het bijvoorbeeld verplicht dat ouders een handtekening onder het handelingsdeel van het OPP zetten. Op de website van Lecso staat voor het speciaal onderwijs een voorbeeld met handreiking die is afgestemd met de inspectie. 

     

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Speciaal onderwijs of het onderwerp Clusters speciaal onderwijs.

  • Moeten ouders toestemming verlenen voor de uitwisseling van het onderwijskundig rapport (OKR) met de nieuwe school voor voortgezet onderwijs?

    Voor de uitwisseling van het OKR tussen de basisschool en de nieuwe school (po of vo), is geen toestemming van ouders nodig. Ze kunnen dus ook geen bezwaar maken tegen de uitwisseling van het OKR: de school moet de het OKR hoe dan ook uitwisselen.

    Wel moeten de ouders inzage krijgen in het OKR, voordat deze wordt uitgewisseld. Professionele indrukken van leraren kunnen niet gecorrigeerd worden, maar bezwaren en opmerkingen van de ouders moeten wel opgenomen worden in het OKR. De school moet de gegeven inzage ook vastleggen. Dit kan op verschillende manieren:

    • Bewaar een kopie van de brief aan de ouders.
    • Maak een verslag van het gesprek tussen de leraar en de ouders.
    • Registreer de datum (en tijd) van de (mondeling) gegeven toestemming.
    • Plaats na het gesprek met de ouders een vinkje bij ‘inzage’ in de LAS.

    Door dit schriftelijk vast te leggen in het leerlingendossier, maakt de school controleerbaar dat de wettelijke informatieplicht is nageleefd.

    Na enige discussie in de Tweede Kamer, is besloten om in het primair onderwijs een (centrale) eindtoets in te voeren en om scholen te verplichten voor 1 maart het schooladvies te geven omtrent het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs. Het schooladvies maakt formeel deel uit van het OKR. Ouders hebben ook in dit schooladvies dus alleen inzagerecht, geen toestemmingsrecht. Het uitwisselen van het OKR en het schooladvies tussen de po-school en de vo-school is verplicht. Ook wanneer de ouders het hier niet mee eens zijn.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema School, kind & omgeving of het onderwerp Privacy.

  • Wij willen per 1-8-2018 fuseren met een andere school. Heb ik dan nog te maken met de fusietoets?

    Het kabinet streeft naar volledige afschaffing van de fusietoets in 2020.  Met ingang van 1 augustus 2018 wijzigt de Regeling fusietoets in het onderwijs. Alle fusies in het funderend onderwijs vallen dan onder de lichte toets. Dit betekent dat voorgenomen fusies geen advies meer nodig hebben van de onafhankelijke adviescommissie, de CFTO. De wettelijk taak van de CFTO om de minister te adviseren over voorgenomen fusies vervalt daarom met ingang van 1 augustus 2018.

    De fusie-effectrapportage en de instemmingsrechten van de medezeggenschap blijven behouden. Daarmee blijft een zorgvuldig afgewogen fusieproces gewaarborgd.

    De (G)MR heeft bij een voorgenomen fusie de volgende bevoegdheden:

    • instemmingsrecht ten aanzien van een besluit over de overdracht en fusie van de school (artikel 10 lid 1 onder H in de Wms);
    • instemmingsrecht ten aanzien van de fusie-effectrapportage (fer) (artikel 10 lid 1 onder H in de Wms).

    Daarnaast moeten sinds 1 januari 2018 de ouders worden geraadpleegd voordat het schoolbestuur een besluit neemt over de fusie van de school of wijziging van het beleid ten aanzien daarvan (artikel 15 lid 3 Wms). 

    Zie ook het bericht van april 2018 hierover: Afschaffen fusietoets: alleen lichte procedurele toets blijft over

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Goed Bestuur of het onderwerp Samenwerken en fuseren.

  • De huidige medezeggenschapsraad van onze school bestaat uit zes leden en wij willen dit terugbrengen naar vier leden. Is dit mogelijk?

    Het minimum aantal leden waaruit een medezeggenschapsraad dient te bestaan is vier leden (artikel 3, lid 2 WMS). Indien u het aantal leden wilt wijzigen, is dit alleen mogelijk wanneer het voorstel tot het wijzigen van het medezeggenschapsreglement wordt ondersteund door tweederde van de medezeggenschapsraad (artikel 23, lid 2 WMS).

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Goed Bestuur of de onderwerpen Medezeggenschap organiseren en Ondersteuning bij medezeggenschap.

  • Mag iemand met een eerste of tweede graads lesbevoegdheid als groepsleerkracht werken in het primair onderwijs?

    Nee, deze werknemer is niet bevoegd als groepsleerkracht. Hiervoor dient een werknemer te beschikken over een PABO-diploma (zie artikel 3, lid 1 onder b WPO). Betrokkene kan bijvoorbeeld wel als vakleerkracht ingezet worden. Denk hierbij aan een werknemer met een bevoegdheid voor Engels, deze werknemer kan dan wel als vakleerkracht Engels worden ingezet.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Opleiden, ontwikkelen en onderzoeken en Werkgeverszaken.

  • In artikel 6.17 (overlijdensuitkering) van de cao is o.a. opgenomen dat meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters voor wie de overledene kostwinner was in aanmerking komen voor een uitkering bij overlijden. Wat wordt verstaan onder “kostwinner”?

    Onder het begrip kostwinner moet het volgende worden verstaan:

    Een overledene wordt geacht kostwinner te zijn geweest indien de nabestaande geheel of grotendeels afhankelijk was van zijn of haar inkomen (van de overledene). Bepalend of iemand kostwinner was, is derhalve de (mate van) afhankelijkheid van het inkomen. Een nabestaande is (geheel of grotendeels) afhankelijk van het inkomen van de overledene indien door de overledene (grotendeels) werd voorzien in de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud. Anders gezegd, de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, kwamen (voor het merendeel) ten laste van de overledene.

    Daarnaast moet worden vastgesteld wanneer de nabestaande grotendeels afhankelijk is van het inkomen van de overledene. Van afhankelijkheid is in ieder geval geen sprake wanneer een nabestaande voor meer dan 50% bijdroeg aan het totale inkomen. Uit deze laatste vaststelling mag echter niet de conclusie worden getrokken dat wanneer de overledene voor meer dan 50% bijdroeg aan het totale inkomen hij of zij geacht kan worden kostwinner te zijn geweest. Criterium is immers de (mate van) afhankelijkheid, waarvoor bepalend zijn de kosten van levensonderhoud (de noodzakelijke kosten van bestaan). Er moet worden vastgesteld dat door een nabestaande niet, althans niet voldoende, in de eigen kosten van levensonderhoud kon worden voorzien. Als houvast kan hiervoor worden aangehouden dat de kosten voor levensonderhoud 50% van het totale inkomen bedragen. Wanneer bovendien meer dan 50% van de kosten voor levensonderhoud voor rekening van de overledene moesten komen, kan worden vastgesteld dat de nabestaande grotendeels afhankelijk was van het inkomen van de overledene. Anders gezegd; er moet worden vastgesteld of de eigen inkomsten van de nabestaande minstens de helft van de kosten voor levensonderhoud niet overschreden.

    In een voorbeeld geïllustreerd:

    Inkomen overledene   3000 euro
    Inkomen nabestaande 2000 euro
    Totaal  5000 euro
    Kosten levensonderhoud 2500 euro (50% totale inkomen)
    Grootste deel grens 1250 euro

    Conclusie: hoewel de overledene voor meer dan 50% bijdroeg aan de totale inkomsten kan niet worden gezegd dat deze ten aanzien van de nabestaande grotendeels in de kosten van levensonderhoud voorzag. De inkomsten van de nabestaande bedroegen meer dan e 1.250,--. Overledene was derhalve geen kostwinner.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp Cao primair onderwijs.

Pagina's