Helpdesk

Op 27 april heeft de PO-Raad met de vakbonden een onderhandelaarsakkoord gesloten voor een nieuwe cao. Als deze CAO PO 2016-2017 door de achterbannen wordt bekrachtigd, dan wijzigt een aantal regels. De informatie bij de gepubliceerde vragen en antwoorden is daarop nog niet aangepast. We doen dat zo snel mogelijk.

Welkom bij de Helpdesk. Hier kunt u antwoorden vinden op uw vragen.

Ik wil iets weten over…

Vragen en antwoorden over

  • Wij willen per 1-8-2018 fuseren met een andere school. Heb ik dan nog te maken met de fusietoets?

    Het kabinet streeft naar volledige afschaffing van de fusietoets in 2020.  Met ingang van 1 augustus 2018 wijzigt de Regeling fusietoets in het onderwijs. Alle fusies in het funderend onderwijs vallen dan onder de lichte toets. Dit betekent dat voorgenomen fusies geen advies meer nodig hebben van de onafhankelijke adviescommissie, de CFTO. De wettelijk taak van de CFTO om de minister te adviseren over voorgenomen fusies vervalt daarom met ingang van 1 augustus 2018.

    De fusie-effectrapportage en de instemmingsrechten van de medezeggenschap blijven behouden. Daarmee blijft een zorgvuldig afgewogen fusieproces gewaarborgd.

    De (G)MR heeft bij een voorgenomen fusie de volgende bevoegdheden:

    • instemmingsrecht ten aanzien van een besluit over de overdracht en fusie van de school (artikel 10 lid 1 onder H in de Wms);
    • instemmingsrecht ten aanzien van de fusie-effectrapportage (fer) (artikel 10 lid 1 onder H in de Wms).

    Daarnaast moeten sinds 1 januari 2018 de ouders worden geraadpleegd voordat het schoolbestuur een besluit neemt over de fusie van de school of wijziging van het beleid ten aanzien daarvan (artikel 15 lid 3 Wms). 

    Zie ook het bericht van april 2018 hierover: Afschaffen fusietoets: alleen lichte procedurele toets blijft over

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Goed Bestuur of het onderwerp Samenwerken en fuseren.

  • De huidige medezeggenschapsraad van onze school bestaat uit zes leden en wij willen dit terugbrengen naar vier leden. Is dit mogelijk?

    Het minimum aantal leden waaruit een medezeggenschapsraad dient te bestaan is vier leden (artikel 3, lid 2 WMS). Indien u het aantal leden wilt wijzigen, is dit alleen mogelijk wanneer het voorstel tot het wijzigen van het medezeggenschapsreglement wordt ondersteund door tweederde van de medezeggenschapsraad (artikel 23, lid 2 WMS).

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Goed Bestuur of de onderwerpen Medezeggenschap organiseren en Ondersteuning bij medezeggenschap.

  • Mag iemand met een eerste of tweede graads lesbevoegdheid als groepsleerkracht werken in het primair onderwijs?

    Nee, deze werknemer is niet bevoegd als groepsleerkracht. Hiervoor dient een werknemer te beschikken over een PABO-diploma (zie artikel 3, lid 1 onder b WPO). Betrokkene kan bijvoorbeeld wel als vakleerkracht ingezet worden. Denk hierbij aan een werknemer met een bevoegdheid voor Engels, deze werknemer kan dan wel als vakleerkracht Engels worden ingezet.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Opleiden, ontwikkelen en onderzoeken en Werkgeverszaken.

  • In artikel 6.17 (overlijdensuitkering) van de cao is o.a. opgenomen dat meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters voor wie de overledene kostwinner was in aanmerking komen voor een uitkering bij overlijden. Wat wordt verstaan onder “kostwinner”?

    Onder het begrip kostwinner moet het volgende worden verstaan:

    Een overledene wordt geacht kostwinner te zijn geweest indien de nabestaande geheel of grotendeels afhankelijk was van zijn of haar inkomen (van de overledene). Bepalend of iemand kostwinner was, is derhalve de (mate van) afhankelijkheid van het inkomen. Een nabestaande is (geheel of grotendeels) afhankelijk van het inkomen van de overledene indien door de overledene (grotendeels) werd voorzien in de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud. Anders gezegd, de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, kwamen (voor het merendeel) ten laste van de overledene.

    Daarnaast moet worden vastgesteld wanneer de nabestaande grotendeels afhankelijk is van het inkomen van de overledene. Van afhankelijkheid is in ieder geval geen sprake wanneer een nabestaande voor meer dan 50% bijdroeg aan het totale inkomen. Uit deze laatste vaststelling mag echter niet de conclusie worden getrokken dat wanneer de overledene voor meer dan 50% bijdroeg aan het totale inkomen hij of zij geacht kan worden kostwinner te zijn geweest. Criterium is immers de (mate van) afhankelijkheid, waarvoor bepalend zijn de kosten van levensonderhoud (de noodzakelijke kosten van bestaan). Er moet worden vastgesteld dat door een nabestaande niet, althans niet voldoende, in de eigen kosten van levensonderhoud kon worden voorzien. Als houvast kan hiervoor worden aangehouden dat de kosten voor levensonderhoud 50% van het totale inkomen bedragen. Wanneer bovendien meer dan 50% van de kosten voor levensonderhoud voor rekening van de overledene moesten komen, kan worden vastgesteld dat de nabestaande grotendeels afhankelijk was van het inkomen van de overledene. Anders gezegd; er moet worden vastgesteld of de eigen inkomsten van de nabestaande minstens de helft van de kosten voor levensonderhoud niet overschreden.

    In een voorbeeld geïllustreerd:

    Inkomen overledene   3000 euro
    Inkomen nabestaande 2000 euro
    Totaal  5000 euro
    Kosten levensonderhoud 2500 euro (50% totale inkomen)
    Grootste deel grens 1250 euro

    Conclusie: hoewel de overledene voor meer dan 50% bijdroeg aan de totale inkomsten kan niet worden gezegd dat deze ten aanzien van de nabestaande grotendeels in de kosten van levensonderhoud voorzag. De inkomsten van de nabestaande bedroegen meer dan e 1.250,--. Overledene was derhalve geen kostwinner.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp Cao primair onderwijs.

  • Is de werkgever verplicht om een mei-brief te versturen? Voldoet hij hiermee aan de aanzegplicht en opzegtermijn?

    Nee, een mei-brief is niet verplicht. Hieronder leggen wij uit wat het verschil is tussen opzeggen en aanzeggen.

    Bijzonder onderwijs

    • Aanzegplicht

    Het bijzonder onderwijs valt onder het Burgerlijk Wetboek. In art. 7:668 lid 1 BW staat dat een werkgever de werknemer schriftelijk uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, moet laten weten of hij de arbeidsovereenkomst voortzet en, bij voortzetting, onder welke voorwaarden hij de arbeidsovereenkomst wil voortzetten. Dit is de wettelijke aanzegplicht. Verzuimt de werkgever dit te doen of doet hij het te laat, dan is hij een boete verschuldigd. Als een werkgever te laat is, loopt de arbeidsovereenkomst nog steeds van rechtswege af. De aanzegplicht geldt niet bij arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan voor een periode korter dan zes maanden.

    Let op: indien er sprake is van een tijdelijk contract met uitzicht op vast, art. 3.3 cao PO, dan geldt dat er op grond van de cao PO een aanzegplicht geldt van twee maanden in plaats van één maand, zie art. 3.8 lid 3 cao PO. Ook heeft het niet voldoen aan deze cao-aanzegplicht wél arbeidsrechtelijke gevolgen. Deze staan vermeld in art. 3.8 lid 4 cao PO. Voor de overige contracten geldt een aanzegplicht van één maand, ook indien het vervangingscontracten zijn en deze zes maanden of langer hebben geduurd.

    • Opzegtermijn

    Een opzegtermijn is iets anders dan de wettelijke aanzegplicht. Een opzegtermijn geldt alleen indien een contract voor bepaalde tijd tussentijds wordt beëindigd of indien een contract voor onbepaalde tijd wordt beëindigd. In de art. 3.10 t/m 3.13 cao PO staan de gronden voor opzegging. In art. 3.14 staat de opzegtermijn.

    Openbaar onderwijs

    • Aanzegplicht

    In het openbaar onderwijs geldt geen wettelijke aanzegplicht. Tijdelijke contracten lopen van rechtswege af, werkgever hoeft van te voren niet te melden of hij het contract gaat verlengen of niet. Uiteraard is het wel netjes om dit te doen, maar er staat geen sanctie op indien het niet wordt gedaan.

    Let op: indien er een aanstelling is aangegaan bij wijze van proef met uitzicht op vast, dan dient een werkgever ten minste twee maanden voor afloop van de aanstelling te laten weten wat hij met de aanstelling doet. Dit moet op grond van art. 4.7 lid 2 cao PO. Voor andere tijdelijke aanstellingen geldt dat zij van rechtswege aflopen.

    • Opzegtermijn

    In het openbaar onderwijs gelden geen specifieke opzegtermijnen. Wel zijn er in art. 4.11 cao PO termijnen genoemd die aangehouden dienen te worden. De werkgever en werknemer moeten naar de grond van ontslag kijken (art. 4.8 cao PO) en afhankelijk van die grond geldt er een termijn voor ontslag.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp Arbeidsrecht actueel.

  • De normbedragen voor nieuwbouw gaan met 40% omhoog. Wij gaan deze maand starten met de bouw van een nieuwe school. Moet onze gemeente nu ook het bouwbudget verhogen?

    Wij raden u aan om in overleg te treden met uw gemeente over het bouwbudget dat u nu ontvangt op basis van de oude normering. Met deze normering voldoet een gemeente niet aan de zorgplicht die zij heeft en kan niet voldaan worden aan de eisen van het Bouwbesluit. Ook de VNG raadt gemeenten aan om eenmalig de normbedragen voor de nieuwbouw van scholen te verhogen met 40%. De reden hiervoor is dat de jaarlijkse indexering van de normbedragen over de afgelopen jaren de werkelijke prijsontwikkelingen in de markt niet goed blijkt te hebben gevolgd. De VNG verwerkt deze correctie in de modelverordening Voorzieningen huisvesting onderwijs per 2019. Dit betekent echter niet dat deze verhoging dan ook pas in werking treedt. Als schoolbestuur kunt u nu al een beroep doen op deze verhoging.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Schoolgebouwen.

  • Geldt er voor een AOW-gerechtigde werknemer die wij in dienst nemen een aparte ketenregeling? En hoe zit het dan met de loondoorbetaling bij ziekte?

    Bij werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, gelden andere regels voor de ketenregeling. Zodra de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, ontslagen is en daarna weer opnieuw in dienst komt, start er een nieuwe keten. Dit is dat het eerste contract in de keten. Bij AOW-gerechtigde werknemers geldt een ketenregeling van zes contracten in vier jaar (zie artikel 3.13, lid 1 onder b CAO PO). Een werknemer die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en ziekteverlof geniet, behoudt vanaf de eerste ziektedag gedurende 13 weken zijn volledige loon. Daarna heeft hij geen recht meer op loon (artikel 4 lid 2 Regeling ZAPO).

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken.

  • Wat moet elk schoolbestuur doen met betrekking tot de vervallen compensatie nabestaandenpensioen?

    Per 1 mei 2018 vervalt het recht op compensatie voor de uitkering op basis van de Algemene nabestaandenwet (ANW) in de pensioenregeling bij het ABP. Schoolbesturen kunnen afspraken maken met een verzekeraar over alternatieven, maar zijn dat niet verplicht. 

    Leden van de PO-Raad met een account voor mijn.poraad.nl kunnen meer informatie voor hun werknemers (zie bericht) en voor hun eigen mogelijkheden (zie bericht) vinden op mijn.poraad.nl. Meer informatie is ook te vinden op de website van ABP.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Werkgeverszaken of het onderwerp Arbeidsrecht actueel.

  • Moet in een IKC ook onderwijspersoneel zich inschrijven in het Personenregister Kinderopvang?

    GGD GHOR heeft een factsheet ontwikkeld met informatie over het personenregister. Hierin is een tabel opgenomen met voorbeelden van personen die zich wel en niet hoeven te registreren in het personenregister. In deze tabel is te vinden dat;

    • Onderwijspersoneel werkzaam op een ‘brede school’ dat geen activiteiten verricht binnen het kinderopvangdeel, hoeft zich niet in te schrijven in het Personenregister Kinderopvang;
    • Onderwijspersoneel dat wel activiteiten in de kinderopvang verricht, dient zich wel aan te melden voor het Personenregister.

    Daarnaast is het van belang om te weten dat als onderwijspersoneel zich wil aanmelden voor het Personenregister Kinderopvang, zij moet beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) gericht op werken in de kinderopvang. Oók als zij al een doorlopende VOG hebben voor het onderwijs. Dit is omslachtig omdat het registreren en het aanvragen van een (extra) VOG geld en tijd kost. Bovendien belemmert het de samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs. De PO-Raad maakt zich er hard voor om deze regeling aan te passen, zodat onderwijspersoneel met een doorlopende VOG zich kosteloos kan registreren bij het Personenregister Kinderopvang.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema School, kind & omgeving of het onderwerp Voor- en vroegschoolse educatie.

  • Wat is invlechting/ontvlechting en waarom is dit nodig?

    Speciaal onderwijs en regulier onderwijs zijn voor de wet nog twee gescheiden werelden. Dat is niet in lijn met de gedachte van passend onderwijs. In het bestuursakkoord van 2014 hebben de PO-Raad en de VO-raad daarom afgesproken de invlechting van het speciaal onderwijs (so) en voortgezet speciaal onderwijs (vso) in het regulier onderwijs te gaan voorbereiden. Aanleiding hiervoor is dat de inhoudelijke verschillen tussen het (v)so en het regulier onderwijs steeds kleiner zijn geworden en de verschillen tussen so en vso groter. In Passend onderwijs werken alle scholen voor leerlingen in de basisschoolleeftijd samen in een samenwerkingsverband po en alle scholen voor leerlingen in de middelbareschoolleeftijd in een samenwerkingsverband vo. Invlechting van het (v)so is dus een logische stap.

    In de afgelopen jaren is al veel werk verzet om de mogelijkheden van de invlechting te verkennen. Daarbij werkten de PO-Raad, de VO-raad, LECSO en OCW nauw samen. In vervolg hierop onderzoeken deze partners samen met enkele scholen en samenwerkingsverbanden hoe de samenwerking tussen regulier en speciaal onderwijs verder kan worden gestimuleerd en welke belemmeringen daarvoor opgelost moeten worden.

    Belangen beter vertegenwoordigen

    Het uitgangspunt is dat de ontvlechting een kwaliteitsimpuls is voor het (v)so, doordat de randvoorwaarden beter worden. Leerlingen en ouders zouden zo min mogelijk moeten merken van de organisatorische kant van de invlechting. Hun belangen kunnen straks daarentegen beter vertegenwoordigd worden en er ontstaan meer kansen voor ‘normaal wat normaal kan, speciaal wat speciaal moet’.

    Wat doet de PO-Raad?

    Op basis van eerder vastgestelde knelpunten onderzoeken diverse commissies in welke vorm de invlechting het beste plaats kan vinden. Een voorbereidingswerkgroep bereidt voor, een beleidsgroep met veldvertegenwoordigers toetst en een stuurgroep ‘(v)so in de transities’ besluit. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap begeleidt deze activiteiten. 

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Passend onderwijs en Speciaal onderwijs.

Pagina's