Helpdesk Onderwijsinhoud

Op 27 april heeft de PO-Raad met de vakbonden een onderhandelaarsakkoord gesloten voor een nieuwe cao. Als deze CAO PO 2016-2017 door de achterbannen wordt bekrachtigd, dan wijzigt een aantal regels. De informatie bij de gepubliceerde vragen en antwoorden is daarop nog niet aangepast. We doen dat zo snel mogelijk.

Welkom bij de Helpdesk. Hier kunt u antwoorden vinden op uw vragen.

Ik wil iets weten over…

Vragen en antwoorden binnen Onderwijsinhoud

  • Wat moet er over burgerschap staan in het schoolplan en in de schoolgids?

    In het schoolplan zijn de volgende zaken opgenomen:

    • Een uitwerking van de burgerschapsopdracht in de beschrijving van het onderwijskundig beleid. Met daarin ook hoe de school zorgt voor een cultuur en oefenplaats waarin de basiswaarden centraal staan. Dit beleid is doelgericht en samenhangend.
    • Het is duidelijk hoe dit gemonitord wordt.
    • Er is vastgelegd hoe leraren ondersteund en gefaciliteerd worden.
    • In schoolgids worden bij de doelen van het onderwijs de doelen op het terrein van burgerschapsvorming meegenomen en de resultaten die worden nagestreefd. Ook hier worden uitkomsten uit de monitoring, en de genomen maatregelen daarop, vermeld.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Onderwijsinhoud of het onderwerp Burgerschap.

  • Wat betekent doelgericht en samenhangend werken voor mijn school?

    De wet introduceert de begrippen ‘doelgericht’, ‘samenhangend’ en ‘herkenbaar’. Dit doet een direct beroep op de kwaliteitszorg van scholen.

    Scholen moeten:

    • een heldere visie op burgerschap ontwikkelen en inzichtelijk maken hoe deze samenhangt met het schoolbeleid;
    • heldere burgerschapsdoelen formuleren;
    • een leerplan opstellen met concreet uitgewerkte leerdoelen waarin kennis, houding en vaardigheden worden uitgedrukt. Hierin wordt duidelijk wanneer ze de leerling op welke momenten in hun schoolperiode deze competenties willen bijbrengen. Op basis hiervan wordt het onderwijsaanbod vormgegeven;
    • opbrengsten van burgerschapsonderwijs volgen en leerresultaten in kaart brengen en waar nodig de aanpak aanpassen;
    • hierover verantwoording afleggen in het schoolplan en in de schoolgids.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Onderwijsinhoud of het onderwerp Burgerschap.

  • Waar zal het toezicht vanuit de Inspectie zich op focussen?

    Bij de invulling van burgerschapsvorming ligt het eigenaarschap bij de scholen. Dat geeft ruimte voor de eigen identiteit van de school. De Inspectie zal terughoudend toetsen. Wel geldt de gemeenschappelijk kern als verplicht uitgangspunt voor alle scholen.

    Die kern omvat de principes en uitgangspunten van de democratische rechtstaat. Om deze kern goed over te dragen is een doelgericht en samenhangend onderwijsprogramma vereist. Het onderwijsprogramma moet tenminste bestaan uit een kennis- en respectcomponent, bijbehorende competenties en een schoolcultuur waarin deze democratische spelregels worden voorgeleefd en waarmee wordt geoefend.

    De Inspectie zal daarnaast toezien op naleving van het volgende:

    • Draagt het bevoegd gezag zorg voor een schoolcultuur waarin alle bij het aanbieden van onderwijs betrokken personen, vrijheid van meningsuiting, gelijkwaardigheid en het afwijzen van discriminatie, verdraagzaamheid en het afwijzen van onverdraagzaamheid, onderling begrip en autonomie van leerlingen als centrale spelregels hanteren en voorleven.
    • En creëert het daarmee een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Onderwijsinhoud of het onderwerp Burgerschap.

  • Hoe verhoudt het wetsvoorstel zich tot de vrijheid van onderwijs?

    Burgerschap is een ingewikkeld begrip. Welke invulling eraan wordt gegeven en welke aspecten benadrukt worden, kan ook verbonden zijn met specifieke waarden en normen die voortkomen uit godsdienstige, levensbeschouwelijke of pedagogische grondslag. Bovendien kunnen scholen en hun omgeving sterk verschillen. Scholen houden in de lijn met de vrijheid van onderwijs daarom veel ruimte om zelf inhoud en vorm te geven aan burgerschapsonderwijs.

    Er zijn hierin grenzen. Scholen moeten hun onderwijs binnen de grenzen van democratische rechtstaat vormgeven. De basiswaarden van de democratische rechtstaat, en de daarbij passende competenties zijn belangrijke gedeelde uitgangspunten en vormen de kern op iedere school. Onderwijs dat de basiswaarden ondermijnt, of leerlingen oproept zich daartegen af te zetten, is strijdig met de wet. Scholen kunnen in het onderwijs eigen opvattingen hebben, maar de burgerschapsopdracht brengt met zich mee dat daarover dialoog plaatsvindt binnen de school. Hierbij zijn tolerantie, positieve verdraagzaamheid en kennis van en respect voor de basiswaarden van de democratische en pluriforme samenleving cruciaal.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Onderwijsinhoud of het onderwerp Burgerschap.

  • Wat wordt nu precies verplicht in het wetsvoorstel?

    Scholen houden ruimte om zelf inhoud en vorm te geven aan burgerschapsonderwijs. Dit is in lijn met de vrijheid van onderwijs. Met het wetsvoorstel wordt er wel een gemeenschappelijke verbindende kern verplicht gesteld voor alle scholen waarop het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar dient te richten:

    • Kennis van de democratie en rechtstaat zelf, alsmede de grondrechten.
      Het gaat voor het primair onderwijs over kerndoel 36, 37, 38 en 39. Zie ook de domeinbeschrijving.
       
    • Kennis van, inzicht in de werking van en respect voor de achterliggende abstracte basiswaarden, ook in hun onderling verband.
      Deze waarden vormen de basis van en de verbindende factor binnen onze diverse samenleving en zorgen ervoor dat mensen met uiteenlopende waarden en normen vreedzaam met elkaar samen kunnen leven. Uit het overkoepelend uitgangspunt van menselijke waardigheid volgen drie algemeen aanvaarde en twee onlosmakelijk verbonden waarden:
      • Vrijheid: alle mensen in Nederland zijn vrij om te denken en te doen wat ze willen, zolang ze daarbij de vrijheid en gelijkwaardigheid van anderen respecteren.
      • Gelijkwaardigheid: iedereen in Nederland is gelijkwaardig aan elkaar en is gelijk voor de wet.
      • Solidariteit: gemeenschappelijke waarden die betrekking hebben op de omgang tussen mensen, zoals respect, verdraagzaamheid, integriteit en verantwoordelijkheidszin.
      • Tolerantie.
      • Verantwoordelijkheid.
         
    • Het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.
      Leren functioneren vereist niet alleen theoretische kennis, maar ook competenties. Democratie gaat ook om sociale omgang tussen mensen. Leerlingen leren op school samen te werken en te leven, om te gaan met maatschappelijke speregels, hun eigen identiteit te ontwikkelen, hun mening te vormen en die van anderen te respecteren. Op jonge leeftijd spitst de ontwikkeling van competenties zich toe op de begeleiding bij de sociale en emotionele ontwikkeling, en naarmate leerlingen ouder worden komen daar complexere maatschappelijke vraagstukken bij.
       
    • Een respectvolle oefenplaats bieden waarin actief geoefend kan worden met de basiswaarden en burgerschapsvaardigheden geïnternaliseerd worden.
      Immers geef je burgerschap niet alleen vorm in het formele curriculum, maar breng je het ook in de praktijk. De school heeft grote vrijheid hier zelf kleur aan te geven vanuit de eigen identiteit. Er zijn enkele centrale spelregels die gehanteerd en voorgeleefd dienen te worden, waarop ook de Inspectie zal toetsen: vrijheid van meningsuiting, gelijkwaardigheid en het afwijzen van discriminatie, verdraagzaamheid en het afwijzen van onverdraagzaamheid (ook wel tolerantie genoemd), onderling begrip en respect, en autonomie van leerlingen.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Onderwijsinhoud of het onderwerp Burgerschap.

  • Vanaf welk IQ tellen de resultaten van een leerling niet mee in de eindbeoordeling van de inspectie?

    Kinderen met een IQ lager dan 75 hoeven geen eindtoets te maken. Zij worden dus ook niet meegenomen in de leerresultaten. Als ze wel een eindtoets maken, worden ze uit de leerresultaten gefilterd. Er zijn echter ook leerlingen met een IQ tussen de 75 en 80. Zij maken wel een eindtoets. Deze leerlingen worden echter door de Inspectie van het Onderwijs eruit gefilterd bij de beoordeling van de leerresultaten van de school. 

    Kortom: Er bestaat een verschil tussen niet meetellen (IQ lager dan 80) en niet hoeven maken (IQ lager dan 75). Zie voor meer informatie ook onze website Van PO naar VO. 

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Onderwijsinhoud of het onderwerp Toetsing.

  • Wat zegt wet- en regelgeving over vrijstelling van onderwijsactiviteiten vanwege geloofsovertuiging?

    Een ouder heeft vrijstelling gevraagd van onderwijsactiviteiten. Deze ouder wil de kinderen niet laten deelnemen aan het schoolkamp vanwege hun geloofsovertuiging. Wat zegt de wet- en regelgeving hierover?

    Artikel 41 van de Wet op het primair onderwijs zegt het volgende:

    1.De leerlingen nemen deel aan alle voor hen bestemde onderwijsactiviteiten, met dien verstande dat die onderwijsactiviteiten voor de leerlingen onderling kunnen verschillen.

    2.Het bevoegd gezag kan op verzoek van de ouders een leerling vrijstellen van het deelnemen aan bepaalde onderwijsactiviteiten met uitzondering van de centrale eindtoets of de andere eindtoetsen, bedoeld in artikel 9b. Een vrijstelling kan slechts worden verleend op door het bevoegd gezag vastgestelde gronden. Het bevoegd gezag bepaalt bij de vrijstelling welke onderwijsactiviteiten voor de leerling in de plaats komen van die waarvan vrijstelling is verleend.

    Dit betekent dat een ouder een verzoek kan indienen voor een vrijstelling van een onderwijsactiviteit. Het bevoegd gezag bepaalt welke vervangende onderwijsactiviteit hiervoor in de plaats komt.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Onderwijsinhoud en School, kind & omgeving.

  • In onze stad mag een school gesticht worden onder de noemer van algemeen bijzonder onderwijs, omdat dit type onderwijs niet meer in onze stad aanwezig is. Wanneer is een school ‘algemeen bijzonder’? (Jenaplan, Montessori, Dalton, Freinet, etc.)

    Op de website van Rijksoverheid wordt verduidelijkt wat bijzonder onderwijs (waaronder ‘algemeen bijzonder’) en wat openbaar onderwijs e.d. betekent. 

    Het is mogelijk dat ook openbare scholen hun onderwijs inrichten volgens een bepaald pedagogisch concept. De onderwijssoorten die u noemt (Jenaplan, Montessori, Dalton, Freinet, etc.) kunnen dus zowel in een “bijzondere” als in een “openbare” school worden vormgegeven.

    Het is van belang wie of wat het bevoegd gezag (de statuten zijn van belang) heeft. Voor openbaar is dat óf (een commissie uit) de gemeenteraad (komt niet veel meer voor) óf een stichting voor openbaar onderwijs (in de statuten zal nog wel een relatie met de gemeente worden vermeld). De medewerkers in het openbaar onderwijs werken op basis van een ambtelijke aanstelling (i.p.v. een arbeidsovereenkomst). Dit wijzigt als de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) van kracht wordt.

    Algemeen bijzonder valt gewoon onder bijzonder (alleen niet op godsdienstige of levensbeschouwelijke basis). Of en welk pedagogisch concept wordt gekozen is daarvoor niet van belang.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Onderwijsinhoud of het onderwerp Rollen en verantwoordelijkheden.

  • De uitslag van het intelligentie-onderzoek van een leerling dat wij drie jaar geleden afnamen, strookt niet met haar huidige resultaten. Zijn wij verplicht om voorafgaand aan de eindtoets haar intelligentie opnieuw te laten bepalen?

    Op de website www.vanponaarvo.nl staat een stroomschema die deze vraag helpt beantwoorden. De IQ test van de betreffende leerling is ouder dan twee jaar. Wanneer de gegevens uit het leerlingvolgsysteem bevestigen dat deze leerling niet verder is dan niveau eind groep 5 dan mag deze leerling deelnemen aan de eindtoets (in overleg met ouders). Het resultaat telt dan niet mee voor de opbrengstbepaling van de school. Volgt uit het leerlingvolgsysteem dat deze leerling verder is dan niveau eind groep 5, dan kunt u overwegen om nogmaals een IQ test af te nemen. De leerling maakt dan sowieso de eindtoets en het resultaat telt mee voor de opbrengstbepaling van de school.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Onderwijsinhoud of het onderwerp Overgang naar voortgezet onderwijs.

  • Hoe worden de vorderingen van leerlingen in het po bepaald?

    Gedurende de hele basisschoolperiode meet een school regelmatig wat een leerling kan en hoe hij vooruitgaat. Op basis van deze objectieve gegevens en de ervaring van de leraar en ouders kan de school bepalen of het kind extra of andere instructie nodig heeft of juist meer moet worden uitgedaagd. Op die manier kan alles uit het kind worden gehaald. Ook krijgen school en ouders door toetsing inzicht in hoe het kind presteert ten opzichte van zijn klas- en leeftijdsgenoten.

    Leerling- en onderwijsvolgsysteem

    Al vanaf groep 1 wordt met hulp van leerling- en onderwijsvolgsysteem gekeken hoe een leerling zich op school ontwikkelt. Met zo’n systeem wordt niet alleen gekeken wát de leerling en zijn klas weten en kunnen, maar het maakt het mogelijk te zien of en hoeveel zij vooruit gaan. Kortom, of het onderwijs dat het kind krijgt, zijn vruchten afwerpt. Scholen zijn verplicht zo’n systeem te gebruiken, in ieder geval voor taal en rekenen, maar mogen zelf bepalen welke ze inzetten en hoe vaak ze het niveau meten. Zolang de gebruikte toetsen valide, betrouwbaar en methodeonafhankelijk genormeerd zijn.

    Reguliere toetsen

    Daarnaast nemen veel scholen ook ‘gewone’ toetsen af die juist wel meten wat de leerling op dat moment kan en of hij de lesstof beheerst. De resultaten op die toetsen geven weer hoe het kind presteert in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten. Scholen mogen zelf bepalen of en hoe vaak ze leerlingen een toets laten maken.

    Centrale eindtoets

    Aan het eind van groep acht maken alle basisschoolleerlingen een eindtoets. Dit is verplicht. Deze toets geldt als tweede, schoolonafhankelijk gegeven naast het schooladvies op basis waarvan school en ouders bepalen naar welk niveau middelbare school een leerling gaat. Scoren leerlingen op de toets beter dan op basis van het schooladvies mag worden verwacht, dan moet de school haar advies heroverwegen. Als het kind lager scoort, hoeft dit niet. 
    Vanaf 2018 kunnen scholen ook een digitale adaptieve eindtoets afnemen. Deze toets past zich aan aan het niveau van de leerling. 

    De school neemt de resultaten op al deze toetsen, op in het onderwijskundig rapport (OKR) van het kind. Dat rapport wordt opgesteld als het naar een andere school gaat. De nieuwe school krijgt daarmee een beeld van het kind zodat ook die het onderwijs zo goed mogelijk op de leerling kan afstemmen. Scholen zijn verplicht ouders te informeren over de inhoud van dit rapport.

    Meer weten?

    Voor meer informatie over de eindttoetsen, is te vinden op de website www.vanponaarvo.nl. Voor informatie over andere toetsen kunt u terecht op de websites van de diverse toetsaanbieders. Leden van de PO-Raad kunnen voor vragen ook contact opnemen met beleidsadviseur Bernard Teunis. Meer informatie over digitale systemen is te vinden bij het thema ICT in het onderwijs.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Onderwijsinhoud of het onderwerp Overgang naar voortgezet onderwijs.

Pagina's

Onderwerpen binnen Onderwijsinhoud

  • Taal & rekenen

    Alle vragen en antwoorden over dit onderwerp.

  • Inspectietoezicht

    Alle vragen en antwoorden over dit onderwerp.

  • Overgang naar voortgezet onderwijs

    Alle vragen en antwoorden over dit onderwerp.

  • Vakgebieden en kerndoelen

    Alle vragen en antwoorden over dit onderwerp.

  • Toetsing

    Alle vragen en antwoorden over dit onderwerp.

  • Burgerschap

    Alle vragen en antwoorden over dit onderwerp.