200 jaar onderwijsverslagen: Van toezigt naar toezicht

Al tweehonderd jaar brengt de Inspectie van het Onderwijs de Staat van het Onderwijs uit, een verslag dat beschrijft hoe het onderwijs ervoor staat. Op 12 april verschijnt de volgende. Monique Vogelzang, inspecteur-generaal van het Onderwijs, vertelt hoe het toezicht – toen nog ‘toezigt’- op onderwijs zich in die tijd heeft ontwikkeld. De enige echte constante: ,,Toezicht moet altijd het onderwijs helpen verbeteren.’’

Portret Monique VogelzangEven tweehonderd jaar terug in de tijd. Wat vindt u het meest opvallende verschil tussen het toezicht op onderwijs toen en nu?

,,Je ziet dat in het toezicht steeds wordt gezocht naar een balans tussen een controlerende en een stimulerende rol van de inspectie. In het ene tijdsgewricht ligt de nadruk op stimuleren, in het ander weer op controleren. Het maakt een soort golfbeweging. Tweehonderd jaar geleden waren de huidige inspecteurs ‘adviseurs’ en bestond het onderwijsverslag met name uit hun persoonlijke indrukken. Waar ze naar keken, was heel persoonlijk en soms heel praktisch. Hoe gedragen de leraren zich? Krijgen ze wel betaald? Geven ze wel in een fatsoenlijk gebouw les? En iedereen had zijn eigen regio en eigen scholen die hij meerdere keer per jaar bezocht.
Een belangrijke omslag kwam in 1967. Toen verdwenen de bevindingen van de individuele inspecteurs uit het onderwijsverslag. Langzaamaan zijn we in onze onderwijsverslagen ook steeds meer koppelingen gaan maken tussen wat de inspectie in de praktijk ziet en wat wetenschappelijk onderzoek aantoont.’’

Wat doet dat met de onderwijskwaliteit?

,,Het maakt de onderbouwing van onze bevindingen sterker als we die vanuit onderzoek kunnen aanvullen. We kwamen hierdoor veel losser van de oorspronkelijke adviseursfunctie en kregen een waarborgfunctie. We zorgen dat de basiskwaliteit van het onderwijs op orde blijft en grijpen in als een school hieronder zakt. In het vernieuwde toezicht waar ook het primair onderwijs mee te maken krijgt, zien we ook de stimulerende rol weer terugkomen. Daarbij kijken we naar de eigen verantwoordelijkheid van scholen en besturen en hun visie op onderwijs. Zij moeten nu goed weten waar ze voor staan. Vroeger kwam het onderwerp ‘kwaliteitszorg’ niet zo aan bod.’’

Wat maakt dat er nu weer meer aandacht is voor die eigen verantwoordelijkheid?

,,Dat is het resultaat van een combinatie aan factoren. De inspectie groeit mee met ontwikkelingen in het onderwijs. Daarnaast spelen de maatschappelijke context en politieke wensen een rol en ontwikkelt het toezicht zelf ook. We zoeken steeds naar een balans tussen die factoren en stellen steeds de vraag welke manier van toezichthouden het meest effectief is. Toezicht moet altijd het onderwijs helpen verbeteren.’’

De inspectieverslagen van individuele scholen zijn pas sinds 1995 openbaar. Maakt die transparantie het werk anders?

,,Men was lang van mening dat het gesprek tussen de inspecteur en de school vertrouwelijk moest zijn omdat men ervan moest leren en erdoor moest kunnen groeien. Vanwege een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur hebben we de verslagen sinds 1995 openbaar gemaakt. Dat paste ook bij de tijdsgeest. We gingen anders nadenken over onze rol en scholen en besturen op hun beurt over de vraag hoe zij zich moeten verhouden tot partijen die om de school heen staan. We kenden lang een gesloten relatie tussen inspectie en school terwijl we nu allemaal vinden dat ouders, leerlingen en iedereen die om die school heen zit, moet kunnen meepraten over wat we van onderwijs vinden. De informatie die wij ophalen, kan dan weer het gesprek versterken tussen al die partijen en de school.’’

Op 1 augustus krijgen alle schoolbesturen te maken met een nieuwe manier van toezichthouden. Wat zijn uw eerste ervaringen met schoolbesturen die er nu al mee werken?

,,We zijn allemaal nog aan het leren, maar wat we zien dat werkt, is dat we besturen en de schoolleiding eerst vragen om zichzelf te presenteren. Wij vragen: wat gaat goed? Wat kan of moet beter? Waar maak je je zorgen over? Waar ben je super trots op? En wat is je visie en wat zijn jouw speerpunten? Als ik meega met bezoeken aan besturen, zie ik dat ze trots zijn op de ruimte die ze krijgen om dit zelf te laten zien. Het blijft niet bij een mooi verhaal. Ik merk dat scholen zich kwetsbaar durven opstellen, juist met de insteek om ervan te willen leren.
We krijgen ook positieve reacties op de feedbackgesprekken. Waar we vroeger de conclusies deelden met de schoolleider, waarbij vaak de bestuurder aanschoof, hebben we nu echt een gesprek met hele schoolteams.

Voor het eerst kijken we nu naar de bestuurlijke kwaliteit en hoe besturen hierop sturen. We vragen ze hoe ze weten dat waar ze tevreden over willen zijn ook daadwerkelijk gebeurt. Besturen realiseren zich dat ze veel meer in beeld zijn. Dat maakt ze scherp maar het is ook wennen.’’

Zit er veel verschil in hoe besturen vinden dat ze ervoor staan en jullie beeld?

,,Je ziet hierin een groot verschil tussen besturen. Sommige kunnen die vraag hoe ze ervoor staan nog niet zo goed beantwoorden. Andere besturen zijn al heel ver. Bij besturen die interne audits en zelfevaluaties doen, zien we soms dat de eigen oordelen en waarderingen strenger zijn dan die van de inspecteurs. Daar hebben we het dan met het bestuur over: hoe komt het nu dat wij dit zien en jullie dat?’’

Toch moeten alle besturen per 1 augustus met het nieuwe toezicht werken

,,Daarom is het nieuwe toezicht een groeimodel. We weten dat we een grote diversiteit gaan aantreffen, vooral als het gaat om de kwaliteitszorg. Daarom beginnen we met een aanpak waarin we wel inzicht bieden in hoe besturen ervoor staan, waarbij we dit in rapporten ook openbaar maken, maar waarbij we de eerste vier jaar nog geen eindoordeel geven. Op die manier kunnen besturen eerst wennen en krijgen ze tijd om aan hun kwaliteitszorg te werken. Al moeten ze natuurlijk sneller aan de gang als de kwaliteit niet blijkt te voldoen aan de wettelijke eisen.
Ondertussen zijn we met de PO-Raad en VO-raad in gesprek om te kijken hoe we besturen en scholen kunnen stimuleren hun zelfevaluaties en audits verder te versterken.’’

Met de kennis van de afgelopen 200 jaar, hoe denkt u dat het toezicht zich verder gaat ontwikkelen?

,,Ik denk dat we altijd die balans houden tussen controleren en stimuleren en dat we zullen meebewegen met ontwikkelingen in het onderwijsveld, maatschappelijke context en de organisatie van het toezicht. Ik verwacht dat we breder naar onderwijs gaan kijken en de rol die de fysieke school en misschien wel de digitale school hierin speelt. Misschien gebeurt het leren straks wel veel meer buiten de schoolmuren. Je ziet nu al steeds duidelijker dat kinderen niet alleen thuis of op school leren, maar ook van apparaten. De inspectie moet zich daartoe verhouden.
Een vorm van inspectie zal altijd blijven bestaan als we de vrijheid van onderwijs willen blijven garanderen. Als je dat zou weghalen, krijg je een sterk centraal gestuurd curriculum met bijvoorbeeld een overheid die zegt wat de school moet doen. Je hebt een mechanisme nodig dat voor de checks and balances zorgt. Omdat we met elkaar vinden dat onderwijs gewoonweg te belangrijk is. Een kind kan het maar een keer doorlopen. Daar wil je geen grote risico’s mee lopen.’’

Onderwijsmuseum presenteert tentoonstelling over 200 jaar toezigt
Het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht besteedt sinds 1 april in een tentoonstelling aandacht aan 200 jaar onderwijsverslag. De tentoonstelling Dit heilzaam toezigt reist door tweehonderd jaar onderwijsverslagen. Verschillende thema’s en verhalen worden toegelicht en geven een kijkje in de wereld die schuilgaat achter het jaarlijkse verslag. De tentoonstelling is nog tot eind september te bezoeken.

Kijk voor meer informatie op de website van het Onderwijsmuseum.

Laatst gewijzigd: 
maandag 3 april 2017

Nieuwscategorieën