De belangrijkste wijzigingen van de Arbeidsomstandighedenwet

De Eerste Kamer stemde eind januari in met een wetsvoorstel om de Arbeidsomstandighedenwet aan te passen. Reden voor dit wetsvoorstel is het steeds groter wordende belang van de duurzame inzetbaarheid van de beroepsbevolking. Vanaf 1 juli 2017 zal de aangepaste Arbeidsomstandighedenwet in werking treden. Hierbij de zes belangrijkste wijzigingen op een rij:

1. De positie van de preventiemedewerker wordt versterkt

De preventiemedewerker levert bijstand aan de werkgever bij alle taken ter uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet. De PMR heeft instemmingsrecht op het takenpakket van de preventiemedewerker. Daar komt bij dat de PMR ook instemmingsrecht krijgt over wie de preventiemedewerker wordt en welke positie hij krijgt in de organisatie. Dit geldt overigens niet voor de al zittende preventiemedewerker. De PMR hoeft met hem of haar niet meer in te stemmen.

2. De adviserende rol van de bedrijfsarts wordt verduidelijkt

Sinds de invoering van de Wet verbetering poortwachter is de werkgever verantwoordelijk voor de verzuimaanpak. Daarbij worden werkgever en werknemer geadviseerd door de bedrijfsarts. In de Arbeidsomstandighedenwet wordt verduidelijkt dat de bedrijfsarts adviseert, maar dat de werkgever uiteindelijk verantwoordelijk is. De werkgever stelt met de werknemer het plan van aanpak voor de re-integratie op en voert de voortgangsgesprekken met de zieke werknemer.

3. Medewerkers mogen de bedrijfsarts consulteren

Elke medewerker krijgt het recht om zelfstandig de bedrijfsarts te consulteren. De rol van de bedrijfsarts bij ziektepreventie wordt hiermee groter. De werkgever moet zorgen voor adequate toegang tot de bedrijfsarts, wat in ieder geval inhoudt dat:

  • deze faciliteit kenbaar is voor iedere medewerker;
  • er zonder toestemming van de werkgever gebruik van kan worden gemaakt;
  • er geen onnodige drempels zijn voor de plaats en het tijdstip van het consult;
  • de werkgever niet wordt geïnformeerd over het consult, de aanleiding noch de uitkomsten op tot personen herleidbaar niveau.

De bedrijfsarts is verplicht het medisch beroepsgeheim in acht te nemen bij dit consult.

4. De bedrijfsarts (of arbodienstverlener) krijgt ruimte voor professionele beroepsuitoefening

Een bedrijfsarts moet zich niet alleen houden aan de Arbeidsomstandighedenwet, maar ook aan andere regelgeving en medische standaarden. Om garanties te kunnen bieden voor een goede beroepsuitoefening door de bedrijfsarts worden vier rechten en plichten in de Arbeidsomstandighedenwet opgenomen:

  • De werkgever moet de bedrijfsarts in de gelegenheid stellen om elke werkplek te bezoeken;
  • De bedrijfsarts wordt verplicht om aan de medewerker de mogelijkheid van een second opinion aan te bieden, tenzij zwaarwegende redenen dit beletten;
  • De bedrijfsarts wordt verplicht een klachtenprocedure te hebben;
  • De bedrijfsarts krijgt het recht overleg te voeren met de PMR en de preventiemedewerker.

5. Het basiscontract arbodienstverlening wordt verplicht gesteld

Er worden minimumeisen gesteld aan het contract tussen werkgever en bedrijfsarts. In dit contract worden in ieder geval de wettelijke taken van de bedrijfsarts opgenomen. Ook de ruimte voor professionele dienstverlening voor de bedrijfsarts moet in het contract worden opgenomen. Dat betekent dat de bovengenoemde vier rechten en plichten en het basiscontract moeten worden belicht en dat moet worden aangegeven hoe de bedrijfsarts hier uitvoering aan geeft. Verder moet in het contract aandacht worden besteed aan de reeds geldende verplichting voor de bedrijfsarts om beroepsziekten te melden bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten.

6. Meer mogelijkheden voor handhaving en toezicht

De Inspectie SZW krijgt ruimere sanctioneringsbevoegdheden ten opzichte van werkgevers, arbodienstverleners en bedrijfsartsen.

 

Laatst gewijzigd: 
woensdag 17 mei 2017