Eerste ervaringen nieuw inspectietoezicht positief

Scholen en hun besturen die hebben proefgedraaid met het nieuwe inspectietoezicht, zijn hierover positief. Dat blijkt uit een eerste voortgangsrapportage van de inspectie. Negen op de tien scholen en besturen vinden het nieuwe toezicht een verbetering.

In het nieuwe toezicht is een grotere rol weggelegd voor schoolbesturen. De inspectie begint met haar toezicht niet langer bij de scholen, maar bij die besturen. Die moeten daarbij laten zien hoe ze de kwaliteitszorg voor hun scholen hebben geregeld. Het schoolplan vormt daarbij het uitgangspunt (zie kader). De inspectie gaat daarnaast breder naar onderwijs kijken. Zeventig schoolbesturen werkten al mee aan pilots met het nieuwe toezicht. Dat geldt vanaf 1 augustus voor alle scholen en hun besturen.

Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de besturen tevreden zijn over de gesprekken met de inspectie. Het overgrote deel herkent zich in de oordelen en waarderingen van de inspectie. Dit geeft ‘vertrouwen’ voor het vervolg, schrijven demissionair minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) in een brief aan de Tweede Kamer. De bewindslieden noemen het nieuwe toezicht een ‘logische stap’ voor het onderwijs en hebben er vertrouwen in dat dit bijdraagt aan een betere onderwijskwaliteit. Ook de PO-Raad is positief over het vernieuwde toezicht en ziet dit als kans om als sector weer regie te nemen op de eigen onderwijskwaliteit.

Dat neemt niet weg dat zowel scholen en besturen als de inspectie aan het nieuwe toezicht moeten wennen. Logisch, vinden zowel kabinet als inspectie, omdat het nieuwe toezicht een ‘grote impact heeft op de dagelijkse toezichtspraktijk’. De komende vier jaar zullen zowel inspectie als ook de PO-Raad nauwlettend in de gaten houden wat goed gaat en waar aanpassingen nodig zijn.

Uit de voortgangsrapportage blijkt alvast dat de voorbereidingstijd van scholen en besturen op het inspectiebezoek als knelpunt wordt ervaren. Zij vinden de voorbereidingstijd op dit bezoek kort en het was niet alle scholen en besturen duidelijk wat van hen wordt verwacht. Dit vraagt om ‘maatwerk in communicatie en informatieverstrekking richting scholen’, schrijven Bussemaker en Dekker.

De inspectie en ook de PO-Raad waken er daarnaast voor dat de nieuwe manier van werken niet leidt tot meer administratie en bureaucratie en daarmee tot een hogere werkdruk. Het risico bestaat dat besturen in hun nieuwe rol meer informatie van hun scholen gaan verzamelen, maar dat is juist niet de bedoeling. ‘De inspectie zal steeds kritisch kijken naar wat zij precies aan inspanning en informatie vraagt. Als besturen goed weten waar zij op moeten sturen, kunnen zij gericht de verantwoording over de onderwijskwaliteit verzamelen. Een inspectiebezoek zou geen aanleiding moeten zijn voor besturen om nieuwe informatie te genereren’, aldus de bewindslieden. De gegevens die scholen toch al in Vensters (Scholen op de kaart) verzamelen, kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt.

Omdat de inspectie voortaan breder naar het onderwijs gaat kijken en niet alleen naar leeropbrengsten op taal en rekenen, is de verwachting dat meer scholen als ‘onvoldoende’ worden betiteld. Dit zegt niets over de feitelijke veranderingen in de kwaliteit van scholen maar kan wel zaken blootleggen die in het verleden onder de radar van de inspectie bleven. Dit helpt de kwaliteit van het onderwijs alleen nog maar verder te verbeteren, stelt de PO-Raad. Wel benadrukt ze dat het niet zinvol is om het huidige aantal ‘zwakke’ scholen te vergelijken met het aantal na 1 augustus aanstaande.

Het nieuwe inspectietoezicht in het kort
Het nieuwe inspectietoezicht houdt kort gezegd in dat de Inspectie van het Onderwijs niet langer alleen alle scholen bezoekt maar met haar toezicht begint bij schoolbesturen. Het bestuur moet daarbij laten zien hoe het de kwaliteitszorg voor zijn scholen heeft geregeld. Het schoolplan vormt daarbij het uitgangspunt. De inspectie checkt vervolgens op een aantal scholen of de bevindingen van het bestuur matchen met haar bevindingen.

Heeft het bestuur de kwaliteitszorg niet op orde of loopt een school bijvoorbeeld het risico 'onvoldoende' of 'zeer zwak' te worden, zal de inspectie vervolgens ook de betreffende scho(o)l(en) uitgebreider bezoeken. De waarborgfunctie van de inspectie blijft onveranderd. De norm voor basiskwaliteit is dat een bestuur en zijn scholen voldoen aan de deugdelijkheidseisen rond de onderwijskwaliteit, de kwaliteitszorg en het financieel beheer. De inspectie kan concluderen dat een school van basiskwaliteit is, ‘onvoldoende’ of ‘zeer zwak’ is. ‘Zwak’ verdwijnt als oordeel.

De inspectie heeft daarnaast een stimulerende taak om dat wat goed gaat verder te helpen verbeteren. Eigen ambities en het ontwikkelen van een verbetercultuur staan centraal. Een schoolbestuur kan daarbij zelf aangeven dat ze wil dat de inspectie een bepaalde school bekijkt. Een school kan dan ook de waardering ‘goed’ krijgen.

Laatst gewijzigd: 
donderdag 2 augustus 2018

Nieuwscategorieën