Handreiking voor opstellen treasurystatuut beschikbaar

Sinds 1 juli 2016 vervangt de Regeling beleggen, lenen en derivaten 2016 (BL&D) de Regeling beleggen en belenen van 2010. Als gevolg hiervan zijn schoolbesturen per 1 oktober 2016 verplicht om een treasurystatuut vast te stellen dat voldoet aan de eisen van de nieuwe regeling. In dit bericht leest u meer over deze eisen en kunt u een handreiking voor het opstellen van een treasurystatuut downloaden.

In het treasurystatuut moet het volgende geregeld zijn (artikel 3, lid 1):

  1. de hoofdlijnen van de op het beleggen en lenen betrekking hebbende administratieve organisatie en het interne toezicht, waaronder in ieder geval de verdeling van taken en bevoegdheden;

  2. de voor de instelling toegestane beleggings- en leningsvormen;
  3. de bijbehorende informatievoorziening, minimaal bestaande uit een kasstroomprognose over vijf jaar en de verantwoordingsinformatie, en
  4. de wijze waarop onderscheid wordt gemaakt tussen publieke middelen en overige middelen enerzijds en niet-publieke middelen anderzijds.

Voor organisaties die gebruikmaken van derivaten worden nog een aantal aanvullende eisen gesteld. Het is de taak van de toezichthouder om te toetsen of deze eisen geïntegreerd zijn in de interne organisatie.

De aanwezigheid van een treasurystatuut dat aan de eisen voldoet, is via het onderwijsaccountantscontroleprotocol onderdeel van de accountantscontrole geworden. Schoolbesturen die nog geen treasurystatuut conform de nieuwe regeling BL&D hebben, dienen deze dus in ieder geval voor de komende accountantscontrole (opnieuw) vast te stellen. Onderstaand vindt u een raamwerk voor een treasurystatuut conform de nieuwe regeling. Afhankelijk van in hoeverre een bestuur belegt, kan het raamwerk worden aangepast op de specifieke situatie van het schoolbestuur.

Raadpleeg hier de handreiking voor het opstellen van een treasurystatuut dat voldoet aan de eisen van de nieuwe regeling.

Overige wijzigingen

Naast de verplichting om een treasurystatuut te hebben vastgesteld dat aan de eisen voldoet, vindt u onderstaand een overzicht van de overige wijzigingen in de regeling BL&D ten opzichte van de Regeling beleggen en belenen van 2010.

Financiële ondernemingen

Financiële instellingen moeten tenminste een A-rating hebben. Dit is een verlaging van de eis ten opzichte van de vorige regeling (toen gold dit alleen voor beleggingen van maximaal 3 maanden). Deze ratingeisen gelden ook voor staatsobligaties van de genoemde lidstaten. De te gebruiken ratings zijn beperkt tot Moody’s, Fitch en Standard and Poor’s.

Derivaten, beleggingen en leningen

Het beleggen in derivaten was in de vorige regeling al toegestaan, in de nieuwe regeling zijn de voorwaarden hiervoor echter aangescherpt tot het alleen beperken van opwaartse renterisico’s bij leningen. Bij het afsluiten van producten worden deze vooraf ter kennisneming aan de interne toezichthouder gestuurd.

Ten aanzien van leningen is nu expliciet opgenomen dat schoolbesturen aan niets/niemand een lening mag verstrekken, tenzij die lening nodig is in het kader van het uitvoeren van de wettelijke taak en past binnen het doel van de organisatie.

Niet-professionele belegger

In de regeling wordt onderscheid gemaakt tussen wel of niet-professionele belegger. Schoolbesturen in het primair onderwijs worden aangemerkt als niet-professionele belegger, waardoor zij enerzijds meer beschermd zijn in hun contacten met banken en anderzijds minder ruimte krijgen bij beleggingen en derivaten

Externe Verantwoording

Nog steeds moet verslag gedaan worden in het bestuursverslag van het gevoerde beleid en uitvoering ten aanzien van, de soorten, omvang en de looptijden van beleggingen, leningen en derivaten (treasuryverslag). Ten opzichte van de vorige regeling wordt de verantwoording uitgebreid met:

  • Vergelijking met de gegevens van het voorgaand jaar;
  • Weergave van elke belegging op het moment waarop de belegging vrij valt;
  • Verantwoording over het gebruik van derivaten, conform de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs.

Extern toezicht

De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt minimaal eenmaal per jaar of een instelling zich in voldoende mate houdt aan de regelgeving op het gebied van derivatentransacties en neemt gepaste actie bij tekortkomingen of risico’s. Dit vindt met name plaats via de accountantscontrole, waarvoor de Inspectie van het Onderwijs jaarlijks het Onderwijsaccountantscontroleprotocol vaststelt. In dit protocol staat dat de accountant daarnaast ook moet controleren op de aanwezigheid van een treasuryverslag dat aan de eisen voldoet.

Laatst gewijzigd: 
dinsdag 7 maart 2017

Nieuwscategorieën