Inspectie: Scherpere keuzes essentieel voor goed onderwijs

De onderwijssector, van primair tot hoger onderwijs, moet scherper kiezen wat ze leerlingen wel en niet bijbrengt en heldere doelen en ijkpunten afspreken. Dat is nodig om het onderwijs toekomstbestendig te maken en leerlingen ondanks problemen als het lerarentekort goed op hun toekomst voor te bereiden. Dat stelt de Inspectie van het Onderwijs in de Staat van het Onderwijs 2019. De PO-Raad onderschrijft dit maar stelt dat dit alleen lukt wanneer ook politiek en maatschappij scherper kiezen wat ze van het onderwijs vragen. Tegelijkertijd moet er meer kennis beschikbaar komen om gefundeerde keuzes te kunnen maken. Vraagstuk is bijvoorbeeld hoe groot een schoolbestuur zou moeten zijn om goed onderwijs te kunnen garanderen.

Hoewel de kwaliteit van zowel het (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs goed is, constateert de inspectie dat diverse problemen het onderwijs onder druk zetten. De segregatie tussen leerlingen met hoger en lager opgeleide ouders groeit, er is nog altijd kansenongelijkheid - al groeit deze niet langer - en de prestaties van leerlingen op taal en rekenen dalen.
Ook het lerarentekort is een groot probleem, maar omdat het tekort niet overal even groot is, is het effect ervan wisselend. Zo kampt de ene regio met grotere tekorten dan de andere. Scholen met een ingewikkeldere leerlingpopulatie hebben daarnaast veel meer moeite om leraren te vinden dan andere scholen. Dit versterkt de ongelijkheid tussen scholen en daarmee de kansenongelijkheid voor leerlingen, aldus de inspectie.

Tegelijkertijd constateert ze dat er steeds meer scholen zijn met een specifiek pedagogisch-didactisch concept. Hoewel dergelijke innovaties ‘essentieel’ zijn om het onderwijs te verbeteren, is het volgens de inspectie vaak niet duidelijk of die echt werken. Het onderwijs versnippert daardoor wat het ingewikkelder maakt om zicht te houden op de kwaliteit.

Ze vindt daarom dat de onderwijssectoren meer moeten samenwerken en gezamenlijke doelen moeten stellen. Ook is het belangrijk dat zij evalueren wat werkt en scherper kiezen wat wel en niet tot hun onderwijs behoort. Dat moet ervoor zorgen dat alle leerlingen dezelfde stevige basis meekrijgen. Scholen kunnen daarnaast hun eigen accenten leggen. Curriculum.nu, het traject waarin leraren en schoolleiders momenteel werken aan nieuwe kerndoelen voor het primair en voortgezet onderwijs, sluit hier al goed op aan, meent de inspectie.

Kennis essentieel voor keuzes

,,Om scherpere en gefundeerde keuzes te kunnen maken, is kennis over wat wel en niet werkt onontbeerlijk’’, zegt Rinda den Besten, voorzitter van de PO-Raad. Om hier meer zicht op te krijgen, heeft de sectorraad begin april met alle andere onderwijssectoren afgesproken samen een zogenoemde kennisinfrastructuur te ontwikkelen. Zij willen onderzoek toegankelijker maken voor het onderwijs en beter aan onderwijs verbinden. Dat voorkomt dat scholen en besturen ieder voor zich het wiel uit moeten vinden en zorgt er juist voor dat zij van elkaar kunnen leren.

Een van de vraagstukken hierbij is hoe groot een bestuur minimaal en maximaal zou moeten zijn om goed onderwijs te kunnen garanderen. Cijfers van de inspectie laten zien dat kleinere besturen, met twee tot zeven scholen, vaker een onvoldoende scoren op kwaliteitszorg dan besturen met meer scholen. Zij hebben te weinig zicht op de kwaliteit van hun scholen en kunnen niet goed bijsturen als het even minder goed gaat. Ook krijgen vrijwillige besturen vaker onvoldoendes dan betaalde besturen. 

Nieuwe kerndoelen zijn evengoed belangrijk om kinderen goed op hun toekomst voor te bereiden, vindt ook de PO-Raad. De huidige kerndoelen zijn flink verouderd en bieden scholen te weinig houvast. Daarbij is het onderwijsprogramma overladen. Ze onderschrijft dan ook het belang van curriculum.nu dat een oplossing biedt voor al deze problemen.

Randvoorwaarde om te kúnnen focussen, is ook dat politiek en maatschappij scherper kiezen wat ze van het onderwijs vragen. Het primair onderwijs wordt met grote regelmaat geconfronteerd met nieuwe eisen en verwachtingen. Politieke plannen reiken daarbij vaak niet verder dan vier jaar waardoor scholen en hun besturen niet goed weten waar ze aan toe zijn en kunnen sturen op goed onderwijs.

Kansenongelijkheid

In haar rapport constateert de inspectie verder dat hoewel het onderwijs kinderen nog altijd geen gelijke kansen biedt, de groeiende kansenongelijkheid tot een halt gekomen lijkt. Ze concludeert daarom voorzichtig dat alle inspanningen in het onderwijsveld om kansengelijkheid te bevorderen, effect hebben gehad. Toch zijn de problemen nog lang niet opgelost, benadrukt de PO-Raad. Dit bevestigt het belang dat niet op onderwijsachterstanden wordt bezuinigd, zoals nu gebeurt. De PO-Raad pleit hier al jaren voor. 

De inspectie stelt daarnaast dat de overheid moet zorgen voor de benodigde randvoorwaarden om het lerarentekort op te lossen. De maatregelen die worden genomen, hangen nu teveel af van individuele leraren, schoolleiders of besturen. De PO-Raad is het daarmee eens.

Laatst gewijzigd: 
woensdag 10 april 2019

Nieuwscategorieën