Klassengrootte blijft zaak van school, leraren en ouders

De Tweede Kamer debatteert woensdagmiddag 10 juni over groepsgrootte in het primair onderwijs. Dit thema passeert regelmatig de revue omdat diverse partijen en organisaties bezorgd zijn dat klassen groeien en dat dit leidt tot minder aandacht voor individuele leerlingen en een hogere werkdruk voor leraren. 

Vorig jaar nog wist een groep leraren van de vakbond Leraren in Actie het onderwerp door middel van een zogenoemd burgerinitiatief – het burgerinitiatief Stop de overvolle klassen - op de agenda te krijgen. Zij wilde dat de overheid paal en perk zou stellen aan de grootte van een schoolklas: Die zou met ingang van het schooljaar 2014-2015 uit maximaal 28 leerlingen moeten bestaan. Vervolgens moet het leerlingaantal in iedere klas in drie jaar worden afgebouwd naar maximaal 24. Ook de Algemene Onderwijsbond pleit voor gemiddeld 23 leerlingen per klas, per school.

De PO-Raad vindt initiatieven om groei van groepen te voorkomen sympathiek, maar vindt het een taak van scholen en niet van de overheid om te besluiten over de grootte van klassen. Groepsgrootte is immers maatwerk op schoolniveau. Schoolbesturen laten de keuzes voor groepsindeling terecht over aan de professionaliteit van de schoolleiders en leraren in samenspraak met de ouders en medezeggenschapsraad. Sommige scholen kiezen in dit kader bewust voor wat grotere klassen. Bijvoorbeeld om de inzet van vakleerkrachten of onderwijsassistenten mogelijk te maken. Een gemaximeerd aantal leerlingen per klas beperkt veel scholen in hun vrijheid om te kiezen voor een formatie-inzet passend bij hun onderwijsconcept.

Cijfers

Na enkele jaren waarin de groepsgrootte licht steeg, lijkt de groei nu gestagneerd. In 2014 telde een gemiddelde klas 23,3 leerlingen. Net als een jaar eerder, zo bleek in februari uit cijfers van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In 2011 zaten er nog gemiddeld 22,6 leerlingen in een groep.

Laatst gewijzigd: 
woensdag 26 juli 2017

Nieuwscategorieën