OESO: Kansengelijkheid verbeterpunt voor Nederlandse onderwijs

Het Nederlandse onderwijs presteert goed, vergeleken met de onderwijsstelsels van de meest welvarende landen. Dat blijkt uit de nieuwste editie van Education at a Glance, een publicatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De PO-Raad is verheugd over de sterke onderwijspositie van Nederland, maar er staan ook een aantal punten in het rapport die de sectororganisatie voor het primair onderwijs zorgen baren.  

Kansengelijkheid

De OESO constateert dat er een wereld te winnen is als het gaat om kansengelijkheid in het onderwijs voor leerlingen met ouders met een lagere opleiding. Het rapport laat onder meer zien dat de vooropleiding (in combinatie met de afkomst) van de ouders van invloed is op het onderwijsniveau dat de leerling volgt, zoals ook al eerder naar voren kwam in de Staat van het Onderwijs. Deze groeiende ongelijkheid is volgens de PO-Raad zeer zorgelijk. Zij lanceerde eerder dit jaar daarom een vijf-punten-plan om kansengelijkheid in ons onderwijsstelsel te verbeteren. Van belang daarvoor zijn: goede voorschoolse voorzieningen, een schooladvies van hogere kwaliteit, geen vroegselectie, brede scholengemeenschappen en betere doorstroommogelijkheden. Bovendien pleitte de PO-Raad eerder voor een Onderwijs Kansen Check. Dit instrument moet toetsen of beleid niet toch onbedoeld kansenongelijkheid bevordert.

De PO-Raad heeft daarnaast de handen ineen geslagen met de andere onderwijssectorraden, VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO-Nederland om de kansengelijkheid in het Nederlandse onderwijs te bevorderen. In een gezamenlijke brief aan minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker (Onderwijs) komen de organisaties vandaag met een aantal maatregelen waarmee zij de kansenongelijkheid willen bestrijden.

Ontwikkelrecht voor alle peuters

Uit het rapport blijkt ook dat Nederland laag scoort als het gaat om toegankelijkheid van voorschoolse voorzieningen voor álle peuters. Bijna alle landen hebben door de overheid gefinancierde voorschoolse voorzieningen voor alle peuters, twee jaar voordat zij naar school gaan. Alleen Ierland en Nederland hebben dit niet. Ook behoort de Nederlandse overheid tot de top vijf landen met de minste uitgaven aan voorschoolse voorzieningen. Dit kan én moet beter. Een goede voorschool kan er namelijk voor zorgen dat ieder kind zich breed kan ontwikkelen. De PO-Raad maakt zich daarom al langere tijd hard voor een sterke basisvoorziening voor alle kinderen van twee tot vier jaar.

Achterblijvende bekostiging en salariëring

Het rapport van de OESO toont tot slot aan dat het Nederlandse onderwijs internationaal gezien gemiddeld scoort als het gaat om de gemiddelde uitgaven aan onderwijs per leerling. Wanneer echter alleen naar de uitgaven aan het primair onderwijs gekeken wordt, zit Nederland ver onder het gemiddelde. Terwijl de andere onderwijssectoren in Nederland wel boven het internationale gemiddelde scoren.

Ook bevestigt de OESO-publicatie dat de salariëring in het Nederlandse primair onderwijs - in vergelijking met de salariëring van beroepen van vergelijkbaar opgeleiden - internationaal gezien ver achterblijft. In een vergelijkingsgroep bestaande uit 26 landen presteren alleen de Verenigde Staten, Italië, Tsjechië en Slowakije slechter als het gaat om salariëring van leerkrachten in het primair onderwijs. Door deze lage salarissen is het minder aantrekkelijk om basisschoolleraar te worden. Juist nu er een lerarentekort aan zit te komen, is het daarom van groot belang dat het imago van het beroep en dus de salariëring verbeterd wordt.  

Laatst gewijzigd: 
dinsdag 29 november 2016

Nieuwscategorieën