Onderwijsraad over vrijheid van onderwijs: Geen extra regels, maar grens scherper afbakenen

De vrijheid van onderwijs is een groot goed en de overheid heeft voldoende aan het huidige instrumentarium om de grenzen daarvan te bewaken. Dat schrijft de Onderwijsraad in zijn advies Grenzen stellen, ruimte laten. Daarin doet de raad de aanbeveling om de ‘gemeenschappelijke kern’ van het onderwijsaanbod scherper te definiëren en wijst hij het nieuwe curriculum aan als middel daarvoor.  

De Onderwijsraad publiceerde vandaag zijn langverwachte advies over Artikel 23: Grenzen stellen, ruimte laten. Aanleiding daarvoor waren ‘spanningen die aan dit artikel kleven’. Want waar ligt de grens aan de vrijheid van onderwijs? Op die vraag geeft dit advies niet expliciet antwoord. De raad koos ervoor de onderwijsvrijheid te bekijken vanuit het perspectief van de democratische rechtsstaat en blijft weg bij gevoelige thema’s als toegankelijkheid van onderwijs.  

Rechten en grenzen

,,De vrijheid van onderwijs maakt verscheidenheid binnen het onderwijsbestel mogelijk en komt tegemoet aan rechten van ouders en van groepen in de samenleving met een bepaalde pedagogische opvatting, (levens)overtuiging of religie", constateert de Onderwijsraad. Maar de vrijheid van onderwijs kent grenzen en is niet vrijblijvend.

In het advies wordt de ruimte van scholen geschetst aan de hand van drie ringen: 

  1. Een gemeenschappelijke kern voor alle scholen en leerlingen - onderwijsaanbod waarvan iedereen kennis moet nemen. 
  2. Een ‘groene zone’ – het deel waarin scholen vrij zijn om vanuit hun eigenheid onderwijs te verzorgen. Deze mag de overheid niet te klein maken.  
  3. Een buitengrens – scholen mogen niet de grens van de democratische rechtsstaat over. 

Scherper definitie en beter handhaven

Voor het bewaken van die buitengrens, zegt de Onderwijsraad, heeft de overheid voldoende wettelijke kaders, maar de gemeenschappelijke kern moet scherper worden gedefinieerd. Middel daartoe is een duidelijke uitwerking van burgerschapsonderwijs in het curriculum en in het toezichtskader van de inspectie, op basis van de Wet Burgerschapsonderwijs. Daarnaast vindt de Onderwijsraad dat de overheid haar bestaande instrumentarium beter moet gebruiken om de buitengrens te handhaven.  

Het advies gaat daarbij uit van positieve verplichtingen en legt de nadruk op burgerschapsvorming in het onderwijs.  

Reacties profielorganisaties 

De profielorganisaties die verschillende denominaties vertegenwoordigen, reageren verschillend op dit advies van de Onderwijsraad. De VGS benadrukt het belang van een terughoudende overheid: ,,Wij willen er namelijk voor waken dat – als gevolg van politieke wensen – de gemeenschappelijke kern steeds groter wordt gemaakt, en de groene zone navenant slinkt. Dat proces is al volop gaande.”  
De VOO noemt het advies ‘een gemiste kans'. ,,De VOO is tevreden over een aantal keuzes, waaronder het primaat van de democratische rechtstaat en de helder geformuleerde rechten van leerlingen. De belangrijkste discussie, die over artikel 23 zelf en specifiek de vrijheid van richting, wordt echter vermeden.”  
Volgens Verus is er vrijheid vóór onderwijs nodig met het oog op een samenleving van vrije mensen: ,,Ruimte voor het eigen initiatief en betrokkenheid bij de eigen school versterken op lange termijn de democratie. Ze zijn een vorm van actief burgerschap.”  
VOS/ABB vindt het verstandig dat de Onderwijsraad benadrukt dat artikel 23 is gebonden aan de kaders van democratische rechtsstaat. ,,Het is echter jammer dat de raad in het advies slechts marginaal aandacht heeft voor de grondwettelijke garantiefunctie van het openbaar onderwijs.” 
De denkrichting van de Onderwijsraad dat de democratische rechtsstaat de overkoepelende paraplu is, spreekt VBS aan. ,,Bij problemen zijn de bestaande rechtsstructuren leidend. Er is in Nederland hiervoor een goed uitgewerkt instrumentarium aanwezig. Beleid maken op basis van incidenten vindt VBS niet bij de complexiteit van het onderwerp passen."

Laatst gewijzigd: 
dinsdag 5 oktober 2021

Nieuwscategorieën