Oude bestuurlijke verhoudingen bespreken in nieuw Schevenings Beraad

Deze week debatteert de Tweede Kamer over een kleine verandering in het stelsel van voorschoolse voorzieningen. De PO-Raad vindt echter dat grotere veranderingen nodig zijn. Het kabinet borduurt voort op twintig jaar oude bestuurlijke verhoudingen, terwijl we de hele wirwar rondom het onderwijs tegen het licht zouden moeten houden in een nieuw Schevenings Beraad.

Op 22 maart 1994 – precies twintig jaar geleden – kwamen bestuurders uit het onderwijs, landelijke en lokale overheden in Scheveningen bij elkaar om afspraken te maken over het onderwijs. De leden van het Schevenings Beraad hadden visie, lef. Zij realiseerden een enorme bestuurlijke omslag die de bakermat is van het huidige onderwijsstelsel. Het openbaar onderwijs werd verzelfstandigd, de gemeenten namen de rol over van Den Haag voor wat betreft huisvesting en achterstandsbeleid. Er werden afspraken gemaakt over de bekostiging. Het Schevenings Beraad bracht het onderwijs echt verder. Het was baanbrekend. Maar dat was twintig jaar geleden. Daarom pleit de PO-Raad voor een hernieuwd Schevenings Beraad.

De noodzaak van nieuwe bestuurlijke verhoudingen ziet de PO-Raad onder andere in de aanpak van de voorschoolse voorzieningen. De Tweede Kamer praat woensdag in het overleg over kinderopvang over de plannen daarvoor van minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken) en staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs). De bewindslieden willen de voorzieningen voor kinderen vanaf 2,5 jaar harmoniseren. De PO-Raad vindt het goed dat er daardoor minder versnippering plaatsvindt. De plannen gaan echter niet ver genoeg. Rondom een jong kind blijft er een ware lappendeken van voorzieningen, wetten en financiering bestaan.  Willen we alle leerlingen de kans geven om zich maximaal te ontwikkelen, dan moet dat veranderen. Daarnaast zijn er meer grotere veranderingen nodig.

Het huidige systeem van onderwijshuisvesting en financiering bijvoorbeeld, is gericht op groei. Het biedt geen goede oplossingen voor het dalend aantal leerlingen in het primair onderwijs. Zo gaat de financiering voor het schoolgebouw nu naar de gemeente waar het kind woont, niet naar waar het kind naar school gaat. In regio’s waar steeds minder kinderen zijn, is dit een belemmering voor samenwerking, nieuwbouw of renovatie. En dat gaat ten koste van het onderwijs.

In het huidige stelsel is positie van openbaar onderwijs niet gelijk aan die van bijzonder onderwijs. Openbare basisscholen mogen bijvoorbeeld niet samenwerken met kinderopvang, omdat zij alleen onderwijs mogen verzorgen. Het samenvoegen van verschillende scholen tot een samenwerkingsschool mag eveneens niet onder een openbaar bestuur. Dit vormt een belemmering bij samenwerking en zet het openbaar onderwijs op een achterstand. Ook in 1994 is over de positie van het openbaar onderwijs gesproken. Het is tijd voor een vervolgslag, een gelijk speelveld voor alle richtingen.

De laatste twintig jaar is de relatie tussen gemeenten en onderwijs enorm veranderd. De decentralisaties van opvang en jeugdzorg naar gemeenten raken ook het onderwijs. Al deze ontwikkelingen vragen om een aanpassing van het stelsel. Het vraagt om een stelsel waar kinderen centraal staan, niet de instituties, niet de oude systemen van onderwijs, opvang en jeugdzorg.

Het debat van woensdag is een goed moment om de versnippering en verkokering rondom het onderwijs aan te kaarten. In een nieuw Schevenings Beraad kunnen alle partijen werken aan een stelsel waar het om de kinderen draait. Met nieuwe bestuurlijke verhoudingen kunnen we voorkomen dat kinderen kansen missen.

Laatst gewijzigd: 
dinsdag 25 maart 2014

Nieuwscategorieën