Personele bekostiging stijgt licht

28-05-2014

Schoolbesturen krijgen 0,21 procent meer personele bekostiging ter compensatie van de gestegen arbeidskosten in 2014. De ontwikkeling van pensioenpremies en sociale lasten in de marktsector wordt daarmee min of meer gevolgd. Toch is de compensatie ook dit jaar lager dan de daadwerkelijk gestegen werkgeverslasten. Dat komt met name door de stijging van de werkloosheidskosten (premies participatiefonds). Vooral de krimp van het aantal leerlingen is daarvan de oorzaak.

De PO-Raad schat de toename van de werkgeverslasten over 2013 voor de sector primair onderwijs in totaal op circa 1 procent. Er is dus sprake van een gat van ongeveer 0,8 procent. Dit correspondeert met een bedrag van 65 mln euro. De PO-Raad zal deze ontwikkeling, waarbij kosten harder stijgen dan de bekostiging (“stille bezuinigingen”), actief onder de aandacht blijven brengen in Den Haag.

Werking referentiesystematiek

De kabinetsbijdrage ter compensatie voor de ontwikkeling van de arbeidskosten in de collectieve sector en dus ook voor het primair onderwijs, wordt vastgesteld aan de hand van de referentiesystematiek. Deze systematiek vertaalt de ontwikkeling van arbeidskosten in de marktsector door naar de overheidssector. De marktsector is dus het referentiepunt: stijgen/dalen de arbeidskosten in de marktsector, dan stijgt/daalt de compensatie voor de ontwikkeling van de arbeidskosten voor het primair onderwijs.

Het is van belang te benadrukken dat de daadwerkelijke ontwikkeling van werkgeverslasten in het primair onderwijs, dus geen enkele rol speelt bij het vaststellen van de compensatie voor werkgeverslasten: Is de ontwikkeling van de werkgeverslasten in het primair onderwijs hoger dan de compensatie die op grond van de referentiesystematiek ontvangen wordt, moeten schoolbesturen dat zelf oplossen. Andersom geldt ook: Wordt er meer gecompenseerd dan dat de arbeidskosten daadwerkelijk zijn gestegen, dan hebben schoolbesturen er voordeel bij.

De referentiesystematiek is onder te verdelen in de onderstaande arbeidskosten:

  1. Contractloonontwikkeling in de marktsector, zoals geraamd door het Centraal Planbureau (CPB).
  2. Mutatie werkgeverslasten in de marktsector voor de werkgeverslasten pensioen en sociale zekerheid. (Arbeidsongeschiktheid (WAO), Zorgverzekeringswet (ZVW), Pensioenen, Doorbetaling bij ziekte/ ziekteverzuim en bijdrage kinderopvang)

De ontwikkeling van de werkloosheidskosten (voor het primair onderwijs terugkomend in de premies participatiefonds) wordt niet meegenomen in het referentiemodel, aangezien schoolbesturen eigen risicodragers zijn voor de Werkloosheidswet en in dat kader geen werkgeverspremie Werkloosheidswet hoeven te betalen.

Uitkomsten referentiemodel (in % loonkosten)

 

Vergoeding contractloon ontwikkeling

1,50

Vergoeding incidentele loonontwikkeling

0,30

Vergoeding pensioenlasten

-0,14

Vergoeding overige sociale werkgeverslasten

0,35

Beleidsmatige korting contractloonontwikkeling (nullijn)

-1,50

Beleidsmatige incidentele loonontwikkeling (nullijn)

-0,30

Definitieve kabinetsbijdrage

0,21

Ophoging personele bekostiging

Het feit dat het kabinet de compensatie voor de gestegen werkgeverslasten over 2014 op basis van de referentie systematiek heeft vastgesteld op 0,21 procent, betekent dat de GPL 2014-2015 met 0,21 procent wordt verhoogd ten opzichte van de in maart bekendgemaakte GPL. De compensatie voor gestegen werkgeverslasten geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2014 en heeft dus ook betrekking op de laatste zeven maanden van het schooljaar 2013-2014. De formele vaststelling van de GPL in de regeling bekostiging 2013-2014 wordt in september verwacht.

Laatst gewijzigd: 
woensdag 28 mei 2014

Nieuwscategorieën