Peuterplan biedt alleen verbetering voor werkende ouders

20-06-2014

Minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken) en staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) houden vast aan hun plannen om peutervoorzieningen te harmoniseren, waarbij het onderscheid tussen  werkende en niet werkende ouders blijft. Dat werd duidelijk uit een brief die zij deze week aan de Tweede Kamer stuurden. De PO-Raad vindt dat hiermee onvoldoende oplossing wordt geboden voor de versnippering in het aanbod voor jonge kinderen.

Als het aan de bewindslieden ligt, krijgen werkende ouders namelijk het recht op kinderopvangtoeslag voor de voorschoolse voorziening van hun keuze en kunnen zij daarvoor bij één loket terecht. Gemeenten blijven verantwoordelijk voor het voorschoolse aanbod voor kinderen van niet werkende ouders en voor VVE. De financieringssystematiek wordt daarmee alleen voor werkende ouders versimpeld terwijl deze voor niet werkende ouders juist een drempel kan vormen, afhankelijk van de gemeente waarin ze wonen. De PO-Raad vreest dat het peuteraanbod door deze harmonisatie minder bereikbaar wordt voor niet werkende ouders en dat dat ertoe leidt dat minder kinderen naar een voorschoolse voorziening gaan.

Deze maatregel past bij hun plannen waarmee ze onderwijs, peuterspeelzaalwerk en kinderopvang beter op elkaar willen afstemmen. Deze financieringsstructuur is nog wel onderwerp van gesprek met de gemeenten.

Eén kwaliteitskader

In de brief kondigen Asscher en Dekker verder aan dat er in 2017 één kwaliteitskader komt voor zowel kinderopvang en peuterwerk. Op kortere termijn worden daartoe alvast eerste stappen gezet. Vanaf 1 januari 2015 moeten het aantal medewerkers op groepen met 2- en 3-jarigen overal hetzelfde zijn. Vanaf 1 juli 2015 geldt het zogenoemde vierogenprincipe niet alleen voor de kinderopvang maar ook voor peuterspeelzalen. Dan moeten steeds twee medewerkers meekijken of meeluisteren met de groep.

Kwaliteitsverhoging

Daarnaast wil het kabinet inzetten op een verdere structurele kwaliteitsverhoging binnen de voorschoolse voorzieningen. Over de verdere uitwerking van dit voornemen is de afgelopen periode in een werkgroep met onder meer de PO-Raad gesproken. In deze werkgroep heeft de PO-Raad zich hard gemaakt voor een stevigere verbinding tussen het onderwijs en voorschoolse voorzieningen. Dat heeft geleid tot een gezamenlijk beeld van de gewenste kwaliteitsverhoging: meer aandacht voor de ontwikkeling van kinderen en een betere samenwerking tussen scholen en voorschoolse voorzieningen. Ze is daarover positief.

Eén basisvoorziening

De PO-Raad is groot voorstander van het opzetten van één basisvoorziening voor alle kinderen omdat dat van belang is voor hun ontwikkeling en verdere schoolloopbaan. De plannen van de bewindslieden dragen daar slechts voor een klein deel aan bij. Hoewel zij aangeven onderwijs, kinderopvang, peuterspeelzalen en voor- en vroegschoolse educatie meer op elkaar te willen afstemmen, blijft de versnippering in het aanbod bestaan omdat de voorgestelde harmonisatie geen betrekking heeft op de VVE-voorzieningen. De PO-Raad heeft al eerder aangegeven dit als een gemiste kans te zien. 

Niet voor iedereen een verbetering

De PO-Raad vindt de voorgestelde stappen voor het verbeteren van de kwaliteit wel positief. Feit blijft dat maar een deel van de jonge kinderendaarvan zal profiteren. De PO-Raad is van mening dat álle kinderen een goede start in het basisonderwijs verdienen. Dat vraagt om een laagdrempelige voorziening voor alle jonge kinderen en hun ouders.

 

Laatst gewijzigd: 
vrijdag 20 juni 2014

Trefwoorden

Nieuwscategorieën