Probleem BAPO-reservering opgelost

De PO-Raad kreeg het signaal dat schoolbesturen oneven-redig veel geld moesten reserveren voor de regeling ‘Bevorderen arbeidsparticipatie ouderen’ (BAPO). Na intensief overleg met OCW is er een oplossing gevonden voor dit probleem.

Kern van het probleem was de strikte toepassing van de regelgeving met betrekking tot het mogelijk gebruik van de BAPO. Dit leidde in veel gevallen tot een ongewenste verschuiving van eigen vermogen naar voorzieningen. Instellingen hoeven nu alleen nog gelden te reserveren op basis van het verwachte gebruik van de regeling.

Hieronder vindt u de letterlijke tekst van OCW.
_____________________________________________________

Brief OCW: RJ 271 en BAPO
Dit bericht is bestemd voor het bevoegd gezag van alle scholen in de sectoren Primair Onderwijs (PO) en Voortgezet Onderwijs (VO)
(c.c. administratiekantoren en accountants, werkzaam in deze onderwijssectoren).

De invoering van nieuwe Regeling jaarverslaggeving onderwijs voor de jaarverslaggeving van het verslagjaar 2008 impliceert ook toepassing van Richtlijn 271 Personeelsbeloningen van de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ271). Deze RJ-Richtlijn bevat o.a. bepalingen voor het omgaan met toekomstige personeelsbeloningen en voor het treffen van voorzieningen. Met name in de sectoren PO en VO leidt het strikt toepassen van deze voorschriften bij de regeling Bevordering ArbeidsParticipatie Ouderen (BAPO) in tal van gevallen tot een forse inhaalslag en een navenante verschuiving vanuit de post Eigen vermogen naar de post Voorzieningen.

Onder voorwaarden kan personeel vanaf de leeftijdsgrens van 52 jaar gebruik maken van de regeling BAPO. Voor personeel vanaf de leeftijd van 47 jaar (het moment dat een BAPO verplichting mogelijk wordt) zou dan ook een voorziening gevormd moeten worden. Hierbij is in de periode tussen 47 en 52 jaar sprake van opbouw van de voorziening vanwege de zogeheten referte-eis van 5 jaren. Bij het bereiken van de 52-jarige leeftijd dient de omvang van de voorziening zodanig te zijn dat aan de BAPO verplichtingen vanaf dat moment kan worden voldaan. Binnen deze uitgangspunten kan de instelling op basis van eigen ervaringscijfers en normen (kansen dat personeel aan de instelling blijft verbonden, dan wel de verwachting in welke omvang van de rechten door het personeel gebruik wordt gemaakt) een calculatie van de benodigde voorziening opstellen.

Hoewel de zorg voor een adequaat niveau van voorzieningen als onderdeel van goed financieel management bij geen der partijen ter discussie staat, is van diverse kanten de vraag gesteld of het inderdaad de bedoeling van de wetgever is geweest dat scholen thans forse bedragen voorzien voor mogelijke toekomstige personeelsbeloningen mede gelet op de verwachte continuïteit van de bekostiging door de overheid. In nader overleg met betrokken partijen is daarom gezocht naar een oplossingsrichting die tegemoet komt aan genoemde bezwaren, doch zonder te tornen aan de werking van RJ271 of aan de basisprincipes van autonome besteding onder lumpsum. Daarbij is vastgesteld dat de effecten zoals hiervoor beschreven kunnen worden ingeperkt als scholen bij het bepalen van de hoogte van de voorzieningen ook rekening houden met de toekomstige BAPO-baten. Feit is echter dat het aanduiden van afzonderlijke elementen binnen de lumpsumbekostiging ingaat tegen de principes van lumpsum en autonomie. Vanwege de diversiteit in allocatiemodellen en bestedingspatronen en de individuele keuzes die daarbij door de scholen zijn gemaakt, is dat ook niet meer mogelijk. Wel kan worden gememoreerd dat bij de oorspronkelijke opbouw van de lumpsumbekostiging in de sector PO voor de gevolgen van de BAPO een opslag ter grootte van ongeveer 2% van de personele (GPL) bekostiging in de lumpsum was opgenomen, die was gebaseerd op de toenmalige gemiddelde BAPO-kosten, vermeerderd met 0,2%. Bij de sector VO is dit wat lastiger traceerbaar omdat bij de vereenvoudiging van de bekostiging per 1 januari 2006 de opslag in de ratio’s voor directie, onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel is verwerkt. Maar de hiervoor gemelde benadering kan bij VO eveneens worden aangehouden.

Met nadruk wordt nogmaals opgemerkt dat deze aanduiding geenszins betekent dat sprake is van oormerking van enig gedeelte binnen de lumpsum noch dat er sprake is van een directe relatie tussen bekostigingselementen in de opbouw van de lumpsum enerzijds en het bestedingspatroon anderzijds. De lumpsumbekostiging staat het bevoegd gezag onverkort ter beschikking om deze binnen de kaders van de wet- en regelgeving naar eigen inzicht aan te wenden voor de bekostiging van alle wettelijke taken. Het bevoegd gezag is dus verantwoordelijk voor een adequaat financieel beleid en het is ook aan het bevoegd gezag om te bepalen tot welke hoogte voorzieningen worden getroffen voor toekomstige verplichtingen, waaronder de hier genoemde BAPO-verplichtingen. Het is vervolgens aan de instellingsaccountant om bij de jaarrekening een verklaring af te geven.

Na consultatie van enkele vertegenwoordigers van de accountantskantoren omtrent de technische uitwerking van deze notitie zal in overleg met de Raad voor de Jaarverslaggeving het bovenstaande aanvullend worden opgenomen in RJ 660. De bovenstaande mededeling loopt hierop vooruit.

Laatst gewijzigd: 
donderdag 20 oktober 2011

Nieuwscategorieën