Raad van State: gemeenten moeten kosten binnenmilieu bekostigen

De Raad van State heeft onlangs de gemeenten aangewezen als de instelling die de kosten van aanpassingen aan onderwijsgebouwen in het kader van het binnenmilieu moet betalen. De raad van State heeft dat uiteraard niet gedaan zonder daar enkele voorwaarden aan te verbinden.

Historie
In oktober 2001 deed de Raad van State uitspraak in wat later “de zaak Schermer” is gaan heten een voor het onderwijs belangrijke uitspraak gedaan. Kern hiervan was dat de kosten van voorzieningen in de huisvesting die een schoolbestuur dient te maken het niet voor rekening van de gemeente kunnen worden gebracht indien de verplichting voortvloeit uit wet- en regelgeving van voor die datum. Met andere woorden er kan pas met succes een beroep op de “gemeentekas” worden gedaan indien de noodzakelijk te maken kosten voortvloeien uit een wettelijke verplichting die na na 1 januari 1997 tot stand is gekomen. Op die datum werd de verantwoordelijk voor de huisvesting overgeheveld van rijk naar gemeenten en schoolbesturen. Deze uitspraak was op zich niet onlogisch omdat de rechter er kennelijk vanuit ging dat de scholen op het moment van de overdracht behoorden te voldoen aan de geldende wettelijke eisen. Dat de praktijk weerbarstiger was (omdat de vraag gesteld kan worden of de overheid zelf zich voor 1997 wel goed van haar taak heeft gekweten) en dat deze uitspraak scholen nogal eens op kosten heeft gejaagd is een vervelende bijkomstigheid.

Wat betekent de nieuwe uitspraak?
De Raad van State heeft in een uitspraak tegen de gemeente Leiden de gemeente opgedragen een nieuw besluit te nemen op een verzoek van een schoolbestuur om in een school een nieuw ventilatie aan te leggen. De aanleg daar van was noodzakelijk omdat – zoals bij zeer veel scholen – het CO-2 niveau ver boven de landelijke norm uit steeg.

Het gemeentebestuur had de aanvraag afgewezen omdat de gevraagde voorzieningen geen voorziening in de huisvesting (zoals omschreven in artikel 92 van de WPO en verder uitgewerkt in de huisvestingsverordening van de gemeente) zouden zijn.

De Raad van State echter heeft vastgesteld dat dat in dit geval wel het geval was. Daarbij zijn 3 aspecten van belang.

  1. De eisen waaraan moet worden voldaan zijn gebaseerd op de arbeidsomstandighedenwet van 1998 en een aantal daarop gebaseerde uitvoerings- en beleidsregels. 
  2. Indien de gevraagde voorziening expliciet en verplichtend in wet- en regelgeving blijken is er sprake van een voorziening in de huisvesting . Zowel het college als de rechtbank hebben ten onrechte uit de uitspraak in de zaak Schermer afgeleid dat in de rapportages exact moet worden vermeld op grond waarvan de voorzieningen moeten worden getroffen. 
  3. Een schoolgebouw is een voorziening zoals omschreven in artikel 1, 1e lid aanhef en onder c van de woningwet. De woningwet is immers niet alleen op woningen van toepassing, maar ook op gebouwen met een publieke functie. Een dergelijk gebouw moet dus voldoen aan de eisen van het bouwbesluit 2003. De Arbo-wet is daarop wel van toepassing.

 

Hoe nu verder?
Het college van Leiden moet – met in achtneming van de uitspraak van de Raad van State - een nieuw besluit nemen. Hoe dat verder uitpakt zal moeten worden afgewacht, maar in redelijkheid mag worden aangenomen dat voor deze school “gezonde lucht” in aantocht is. Dat wil echter niet zeggen dat alle scholen in Nederland nu met succes een beroep op de gemeente zullen kunnen doen. Wat wel duidelijk is, is dat gemeenten een aanvraag niet langer naar de prullenbak kunnen verwijzen omdat er geen sprake zou zijn van een voorziening in de huisvesting. Wel zullen aanvragen van scholen conform de geldende systematiek qua urgentie worden afgewogen tegen andere aanvragen. De verordening kent daarin 4 gradaties:

  1. Het oplossen van capaciteitsproblemen 
  2. Het plegen van adequaat onderhoud 
  3. Aanpassing van de gebouwen aan wet en regelgeving) 
  4. Aanpassen aan onderwijskundige ontwikkelingen

Omdat het college jaarlijks een budgetplafond dient vast te stellen en alle aanvragen vervolgens in volgorde van urgentie moet worden geplaatst kan het dus voorkomen dat aanpassen van wet en regelgeving alsnog om budgettaire redenen wordt afgewezen. In veel gevallen zal het budgetplafond zodanig zijn dat lang niet alle aanvragen kunnen worden gehonoreerd. De vergoedingen die de gemeenten ontvangen voor onderwijshuisvesting zijn te laag om aan alle wensen te kunnen voldoen.

Advies
Geadviseerd wordt de gevolgen van deze uitspraak in het Lokaal (op overeenstemming gericht) overleg te bespreken. Daarbij kan ook worden verwezen op het regeringsstandpunt mbt het binnenmilieu dat een beroep doet op schoolbesturen en gemeenten e.e.a. op te lossen. Op lokaal niveau is het bijvoorbeeld goed mogelijk de volgorde van urgentie aan te passen aan de lokale wensen. Door het binnenmilieu een hogere urgentie te geven zullen scholen ook eerder kunnen worden aangepast. Ook is het mogelijk samen met gemeenten en de andere schoolbesturen binnen de gemeente maatwerkafspraken te maken en die in een meerjarenplan vast te leggen.

De PO-raad zal de gevolgen van de uitspraak zeker ook bij de gesprekken rondom het opstellen van een convenant binnenmilieu betrekken.

Laatst gewijzigd: 
donderdag 20 oktober 2011

Nieuwscategorieën