Reactie PO-Raad op Kamerbrief over alternatieven lumpsum

Op 10 mei 2016 hebben minister Bussemaker (Onderwijs) en staatssecretaris Dekker (Onderwijs) een reactie op de motie Duisenberg naar de Kamer gestuurd. Deze motie roept de regering op “meerdere alternatieven voor of naast lumpsum te ontwikkelen waarbij publieke middelen, in het bijzonder middelen die een specifiek doel beogen, heldere doelstellingen krijgen en de voortgang inzichtelijk wordt.”
In dit bericht geeft de PO-Raad haar reactie op de brief.

Voorstellen bewindslieden van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW)
In hun brief concluderen Bussemaker en Dekker dat de huidige lumpsumfinanciering past bij het onderwijs zoals dat in Nederland georganiseerd is. Het leidt tot minder bureaucratie, grotere doelmatigheid en meer kwaliteit. Internationaal onderzoek bevestigt dit.

Vorig jaar constateerde de Algemene Rekenkamer al dat het lastig is om in een stelsel van lumpsum een directe link te leggen tussen de inzet van (extra) middelen en de realisatie van beleidsdoelen. Dit vanwege de combinatie van vrijheid van besteding en de verschillende manieren waarop besturen zich verantwoorden over bestedingen en prestaties. Toch zien de bewindslieden mogelijkheden om de verantwoording te verbeteren, met name voor wat betreft de nationaal vastgestelde doelen, bijvoorbeeld die uit het Nationaal Onderwijsakkoord (NOA) en de bestuurs- of sectorakkoorden. In de Kamerbrief worden een aantal concrete acties voorgesteld, zoals onder andere de ontwikkeling van een onderwijsbreed data- en informatiemodel met bijbehorende uitwisselingsafspraken. Ook schetst de brief het ideaalbeeld van het bestaan van een benchmark voor elke onderwijssector, zodat belanghebbenden uitgaven van de eigen instelling kunnen vergelijken met die van anderen. Tot slot willen Bussemaker en Dekker in overleg met de sectorraden onderzoeken hoe zij meer inhoudelijke eisen aan het jaarverslag kunnen stellen en zullen zij de Kamer informeren hoeveel schoolbesturen in 2016 hun jaarverslag niet openbaar hebben gemaakt. Vanuit de Code Goed Bestuur roept de PO-Raad haar leden op om hun jaarverslag over 2015 online te publiceren.
 
Reactie PO-Raad
In de brief constateren de bewindslieden dat uit internationaal onderzoek blijkt dat het Nederlands onderwijsstelsel internationaal bovengemiddeld goed presteert met gemiddelde uitgaven. Na nadere beschouwing van dit onderzoek kan geconstateerd worden dat het primair onderwijs bovengemiddeld goed presteert, met een bekostiging die ónder het gemiddelde ligt. Aan de vraag of met extra middelen nationaal vastgestelde doelen worden gehaald, zou dus de vraag vooraf moeten gaan of de huidige basisbekostiging wel toereikend is. Anders zal altijd het risico bestaan dat extra middelen voor aanvullende doelstellingen nodig zijn voor het opvullen van tekorten in de reguliere begroting.

In het kader van de beantwoording van de motie Duisenberg heeft een verkennend gesprek plaatsgevonden tussen OCW, de PO-Raad en een tiental schoolbesturen. Hier werd door de sector vastgesteld dat op voorhand beter nagedacht moet worden over de verantwoording van specifieke doelen. Hierbij is het van belang dat er een helder onderscheid gemaakt wordt tussen enerzijds reguliere taken en verantwoordelijkheden (bekostigd vanuit een toereikende, reguliere bekostiging) en anderzijds nieuwe of extra taken en verantwoordelijkheden. Wanneer er bijvoorbeeld sectoraal afspraken worden gemaakt over extra (c.q. niet-reguliere) taken en als die worden bekostigd met extra middelen, kan er wat betreft de PO-Raad verder nagedacht worden over een nadere verantwoording over de bereikte doelen en de besteding van deze middelen.

In de Kamerbrief wordt ook gezinspeeld op een instemmingsrecht op hooflijnen van de begroting. De sector primair onderwijs hecht weliswaar een groot belang aan het goede gesprek tussen bestuur en medezeggenschap, toch roept dit voorstel wezenlijke vragen op bij de PO-Raad. Wat wordt hier  precies onder verstaan, wat zijn ‘hoofdlijnen van de begroting’? Hoe garandeer je de continuïteit van het onderwijs, als de (G)MR niet instemt? En hoe voorkom je dat een bestuur ingeklemd wordt tussen elkaar tegensprekende opvattingen van het intern toezichtsorgaan en de (G)MR? De PO-Raad plaatst daarom vooralsnog grote vraagtekens bij dit voorstel. Zie het bericht over internetconsultatie op de website van de PO-Raad.


 

Laatst gewijzigd: 
dinsdag 17 mei 2016

Nieuwscategorieën