'Samen werken aan voorschoolse voorziening'

17-09-2013

De gemeente moet samen met peuterspeelzalen, kinderopvang en onderwijs komen tot goede ontwikkelarrangementen voor kinderen tussen 2,5 en 4 jaar. Dat schrijven de PO-Raad, Branchevereniging Kinderopvang, MOgroep en Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in een gezamenlijke brief aan minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken) en staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs).

Het kabinet wil dat onderwijs, kinderopvang en peuterspeelzalen meer samenwerken en dat voorschoolse voorzieningen worden geharmoniseerd. Dat is nodig omdat het huidige versnipperde aanbod voor jonge kinderen niet efficiënt is, niet effectief en onduidelijk is voor ouders, beamen de organisaties in de brief. Ze roepen het kabinet op bij de uitwerking van haar plan gebruik te maken van de ideeën en expertise uit de praktijk en reiken Asscher en Dekker de hand om hierover in gesprek te gaan. Een goede voorschoolse voorziening is belangrijk ‘omdat hier de basis wordt gelegd van de ontwikkelkansen en het toekomstperspectief van alle kinderen', staat in de brief.

Opinieartikel 

De organisaties zien het liefst dat er één integrale voorziening komt voor opvang, ontwikkeling en onderwijs van alle kinderen voor minimaal vier dagdelen per week. In een opinieartikel in het Haarlems Dagblad schrijven de voorzitters van de partijen dat ze het optuigen van zo’n voorziening zien als een ‘gezamenlijke verantwoordelijkheid’.

‘Bij goed onderwijs voor elk kind hoort ook een goede start voor elk kind’, schrijven zij in het opiniestuk. ‘De voorschoolse voorzieningen moeten daarom pedagogische kwaliteit leveren, bereikbaar zijn voor iedereen en zorgen voor een doorgaande leerlijn.’

Lees hieronder het volledige opinieartikel. (Deze is op 14 september 2013 in iets gewijzigde vorm in het Haarlems Dagblad verschenen)

Minister Asscher wil voorzieningen voor peuters in Nederland beter op elkaar af stemmen, zodat alle kinderen van 2,5 tot 4 jaar naar één goede voorziening kunnen gaan. Een goed idee, maar voorkomen moet worden dat in de uitwerking nu onomkeerbare stappen gezet worden. Hij moet daarbij aansluiten bij de ideeën en bestaande expertise die in het veld aanwezig zijn, zo betogen Rinda den Besten, Jantine Kriens, Mariëlle Rompa en Marijke Vos.

In het veld is men het er met elkaar over eens: de gemeente moet samen met de partners als peuterspeelzalen, kinderopvang en onderwijs komen tot goede ontwikkelarrangementen voor kinderen tussen 2,5 en 4 jaar. Op verschillende plaatsen in Nederland wordt al jaren ervaring opgedaan met het verbeteren van de manier waarop voorschoolse voorzieningen en basisscholen samenwerken aan kwaliteit en doorlopende ontwikkellijnen van kinderen. De reden hiervoor is dat partijen, net als overigens het kabinet de voorschoolse periode belangrijk vinden om ontwikkelingsachterstanden van verschillende aard te voorkomen, te signaleren en tijdig aan te pakken. Om daadwerkelijk ook tot één voorziening te komen is het noodzakelijk de systemen van kinderopvang, peuterspeelzaal, voorscholen en onderwijs meer te integreren. Het huidige versnipperde aanbod voor jonge kinderen is niet efficiënt, niet effectief en onduidelijk voor ouders.

Een dergelijke stelselwijziging heeft alleen zin als het de samenwerking tussen de voorschoolse voorzieningen, kinderopvang en het basisonderwijs verder bevordert. Intensieve samenwerking en het maken van afspraken over een doorlopende ontwikkellijn naar de groepen 1 tot en met 3 van de basisschool is van cruciaal belang. Van belang voor een goede start van de onderwijsloopbaan van kinderen. Het kan niet zo zijn dat voorschoolse voorzieningen en basisscholen geen afspraken maken over hoe kinderen instromen in groep 1 of 2, om vervolgens wel te verwachten dat aan het eind van groep 8 die achterstanden zijn weggewerkt. In veel gemeenten werken peuterspeelzalen (voorscholen), de kinderopvang en de basisschool op een goede manier samen aan de kwaliteit van de voorschool en de doorlopende ontwikkellijn. Borduur daarop voort en gooi het kind niet met het badwater weg.

Minister Asscher zou er goed aan doen te luisteren naar de praktijk en hun expertise en ervaringen mee te nemen in zijn planontwikkeling. Zo vinden de voorzitters van de vier brancheorganisaties dat de vereiste pedagogische kwaliteit gewaarborgd moet zijn. In de ontwikkeling van jonge kinderen is pedagogische interactie met de leidster het belangrijkste element. Op deze leeftijd is spelend leren de kern en leren kinderen het meest van elkaar met goede pedagogische begeleiding van de leidster. Daarom wordt in de voorschoolse sector momenteel al gewerkt aan een nieuw kwaliteitsstelsel, waar binnen kwaliteit en het opleidingsniveau worden verhoogd. De mate waarin pedagogische interactie plaatsvindt, is namelijk sterk afhankelijk van het opleidingsniveau van de begeleiding.

Een voorschoolse voorziening moet tevens toegankelijk zijn voor alle kinderen van 2,5 tot 4 jaar en hun ouders. Met als voornaamste doel: het optimaal ontwikkelen van een kind en voorkomen, signaleren en aanpakken van allerlei achterstanden. Gemeenten en consultatiebureaus zijn nu een cruciale partner bij het signaleren en actief doorverwijzen van kinderen met een achterstand. Gemeenten moeten die belangrijke rol behouden. En die rol wordt straks nog belangrijker als gemeenten ook de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg krijgen. Voorschoolse voorzieningen zijn bij uitstek geschikt om bij preventie in te zetten, vroegtijdig te signaleren en lichte opvoedingshulp te bieden aan ouders en kind.

Bij goed onderwijs voor elk kind hoort ook een goede start voor elk kind. De voorschoolse voorzieningen moeten daarom pedagogische kwaliteit leveren, bereikbaar zijn voor iedereen en zorgen voor een doorgaande leerlijn. De samenwerkende partijen in het primair onderwijs, gemeente, kinderopvang en peuterspeelzalen hebben in maart van dit jaar al aandacht gevraagd voor één basisvoorziening voor het jonge kind. Om dit te realiseren, moeten de jarenlange ervaringen en expertise meegenomen worden in toekomstig beleid. Voor welke uitwerking ook gekozen wordt, kwaliteit moet altijd de hoogste prioriteit hebben bij een voorschoolse voorziening. Alleen dan kan het maximale worden gedaan aan het verminderen van achterstanden. 

Rinda den Besten is voorzitter van de PO-Raad, sectororganisatie voor het primair onderwijs

Jantine Kriens is voorzitter van de directieraad van de VNG

Mariëlle Rompa is voorzitter van de Brancheorganisatie Kinderopvang

Marijke Vos is voorzitter van de MOgroep, brancheorganisatie welzijn en maatschappelijke dienstverlening.

 

Laatst gewijzigd: 
dinsdag 17 september 2013

Bestanden bij dit nieuwsitem: 

Nieuwscategorieën