Strikte interpretatie leidt tot fors grotere voorziening groot onderhoud

Steeds meer accountants geven aan dat schoolbesturen een striktere interpretatie moeten hanteren van reeds bestaande voorschriften voor de jaarverslaggeving ten aanzien van de voorziening groot onderhoud. Schoolbesturen zouden daardoor meer geld moeten toevoegen aan de voorziening groot onderhoud. Hierdoor wordt er feitelijk meer geld onttrokken aan het onderwijsproces, dan zeer waarschijnlijk ooit zal worden uitgegeven. PO-Raad en VO-raad hebben het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) gevraagd hoe dit voorkomen kan worden.

De richtlijnen voor het jaarverslag geven nu drie mogelijkheden voor het verwerken van groot onderhoud in de jaarcijfers:

1.    Geen voorziening, maar alles via de baten en lasten laten verlopen;

2.    Een voorziening creëren om daarmee de lasten te egaliseren;

3.    Het activeren en afschrijven van onderhoudsinvesteringen.

De eerste mogelijkheid verdwijnt per 2019. Schoolbesturen die daar nu nog mee werken, moeten volgend jaar kiezen voor optie twee of drie. De schoolbesturen worden geadviseerd hierover advies in te winnen bij hun controlerend accountant.

De discussie over de interpretatie betreft mogelijkheid twee. De hoogte van de voorziening groot onderhoud wordt nu vastgesteld op basis van de verwachte uitgaven op grond van het meerjarenonderhoudsplan (MOP). Hierbij worden door de meeste schoolbesturen de uitgaven voor groot onderhoud voor alle componenten opgeteld en over de jaren heen gespreid. Feitelijk betekent dit dat het groot onderhoud van het ene onderhoudscomponent, mede wordt gefinancierd door de opgebouwde voorziening voor een andere onderhoudscomponent.

Een toenemend aantal accountantskantoren geven nu aan dat interpretatie van de jaarverslaggevingsvoorschriften rondom de voorziening groot onderhoud strikter moet worden geïnterpreteerd. Volgens hen kan de hoogte van de voorziening onderhoud alleen vastgesteld worden door voor iedere onderhoudsinvestering afzonderlijk te gaan sparen en dat voor elke component naar tijdsgelang moet worden gereserveerd. Dit betekent dat als het dak eens in de 20 jaar moet worden vervangen en de kosten hiervoor €200.000 bedragen, er voor deze onderhoudscomponent per jaar €10.000 per jaar moet worden toegevoegd aan de voorziening groot onderhoud. Na 10 jaar zou er daardoor voor het dak  €100.000 in de voorziening moeten zitten. Dit zou voor alle onderhoudscomponenten moeten plaatsvinden wat veelal tot een veel hogere voorziening leidt dan bij de egalisatie van de (totale) onderhoudsuitgaven, zoals nu vaak wordt toegepast.

De reden van deze nieuwe zienswijze is niet geheel duidelijk. De verslaggevingsvoorschriften zijn op dit punt namelijk niet veranderd. De huidige interpretatie wordt al gehanteerd vanaf het moment dat schoolbesturen een jaarverslag moeten opstellen conform de richtlijnen (in 2005) en heeft altijd geleid tot een goedkeurende verklaring van de accountant.

Wat zijn de consequenties van de nieuwe interpretatie?

Door deze nieuwe striktere interpretatie zou de voorziening groot onderhoud bij veel schoolbesturen niet van voldoende omvang zijn. Wanneer de striktere zienswijze voor het eerst wordt toegepast, moet er een forse bijschrijving aan de voorziening plaatsvinden.

Uit de jaarcijfers 2017 blijkt dat ca. 75% van de schoolbesturen in het primair onderwijs gebruik maakt van de voorziening groot onderhoud, corresponderend met een totale waarde van €500 mln. Het is lastig om per bestuur of landelijk vast te stellen wat de effecten zijn van de nieuwe, striktere interpretatie. De inschatting is dat dat hierdoor het vreemd vermogen van het hele primair onderwijs met honderden miljoenen kan toenemen, welke uiteindelijk ten laste komen van het eigen vermogen.

Wat is het standpunt van de PO-Raad?

De PO-Raad heeft grote bedenkingen bij deze striktere interpretatie, met name omdat hierdoor geld wordt onttrokken aan het onderwijsproces. Schoolbesturen, en het gaat hierbij met name om schoolbesturen met een lage solvabiliteit of weerstandsvermogen, zullen zich door deze administratieve wijziging gedwongen voelen om het eigen vermogen eerst op peil te brengen voordat er ruimte komt voor onderwijsinvesteringen.

De sectororganisatie vindt het overstappen van een spaarsysteem via de onderhoudsvoorziening naar een systeem van activeren en afschrijven van het groot onderhoud geen oplossing van dit probleem voor het primair onderwijs. Naast het feit dat dit een arbeidsintensieve aanpassing is, is het activeren en afschrijven van onderhoud (aan een gebouw dat veelal niet in economisch eigendom is) een meer risicovolle en complexere wijze van het verwerken van het groot onderhoud. Daarnaast ontstaat een vertroebeld beeld van de vermogenspositie doordat deze enorm worden opgeblazen.

De PO-Raad en de VO-raad hebben hun bedenkingen bij het ministerie van OCW kenbaar gemaakt. Ook hebben zij gevraagd hoe het ministerie de forse negatieve impact van een mogelijk striktere interpretatie van de jaarverslaggevingsvoorschriften rondom de voorziening groot onderhoud denkt te voorkomen.

Laatst gewijzigd: 
dinsdag 11 december 2018

Nieuwscategorieën