Tien vragen over het vereenvoudigen van de bekostiging

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Tweede Kamer heeft vragen voorgelegd aan minister Arie Slob over de vereenvoudiging van de bekostiging in het primair onderwijs. De minister heeft alle vragen beantwoord. We lichten er tien vragen en antwoorden uit.

Hieronder staan tien vragen uit het verslag van het schriftelijk overleg van de Tweede Kamer met minister Slob over vereenvoudiging bekostiging. Kijk hier voor het volledige verslag met alle vragen van de verschillende fracties en de volledige antwoorden van de minister.

10 vragen

  1. Hoe ziet de voorgestelde bekostiging er in de praktijk uit?
  2. Leidt de vereenvoudiging tot herverdeeleffecten?
  3. Waarom wordt de gemiddelde leeftijd van de leraren losgelaten?
  4. Waarom verdwijnt het onderscheid tussen onderbouw en bovenbouw?
  5. Waarom wil de minister in de materiële bekostiging niet vasthouden aan parameters en normbedragen?
  6. Welke momenten zijn belangijk in het huidige en in het beoogde model?
  7. Waarom is gekozen voor 1 februari als teldatum?
  8. Is er voldoende draagvlak?
  9. Helpt de vereenvoudiging dat er minder reserves worden opgebouwd?
  10. Heeft de vereenvoudiging een verband met het onderzoek naar de toereikendheid van de bekostiging?

Antwoorden

1. Hoe ziet de voorgestelde bekostiging er in de praktijk uit?

In de praktijk krijgt elke school hetzelfde basisbedrag per leerling en per school, met daarbij eventueel aanvullende bekostiging. De bedragen worden gebaseerd op het beschikbare budget op de begroting waardoor de wetswijziging budgetneutraal wordt uitgevoerd. Het basisbedrag per leerling in het basisonderwijs wordt gebaseerd op het huidige gemiddelde bedrag per leerling op een basisschool, exclusief de aanvullende bekostiging. Het basisbedrag per school wordt gebaseerd op de huidige vaste bedragen per school. Daarbovenop ontvangen schoolbesturen aanvullende bekostiging voor zover van toepassing. In dit budget zijn de personele en materiële bekostiging samengevoegd.

2. Leidt de vereenvoudiging tot herverdeeleffecten?

De vereenvoudiging van de bekostiging wordt budgetneutraal uitgevoerd, maar bij individuele schoolbesturen kunnen er herverdeeleffecten ontstaan. Er is een model ontwikkeld waarmee voor alle scholen en schoolbesturen inzichtelijk is gemaakt welke herverdeeleffecten optreden als de voorgestelde maatregelen zouden zijn ingevoerd in schooljaar 2018/2019 (zie nieuwsbericht). Het grootste negatieve herverdeeleffect op bestuursniveau is 7,75%. Het grootste positieve herverdeeleffect is 14,55%. Circa 80% van de schoolbesturen heeft een herverdeeleffect tussen de -3% en 3%. Hierin zijn alle maatregelen uit het voorstel verwerkt, behalve de wijziging van de teldatum. Om schoolbesturen voldoende tijd te geven om te wennen aan het nieuwe budget komt er een drie jaar durende overgangsregeling. Gedurende het traject wordt er open en transparant gecommuniceerd over de herverdeeleffecten die optreden.

3. Waarom wordt de gemiddelde leeftijd van de leraren losgelaten?

In de huidige bekostigingssystematiek wordt er rekening gehouden met de gemiddelde gewogen leeftijd (GGL) van de leraren. De GGL wordt afgeschaft omdat dit de systematiek minder complex maakt en leidt tot minder administratieve lasten bij scholen. De berekening van de GGL werd, mede door nieuwe contractvormen, steeds complexer en minder eenduidig. Door dit af te schaffen wordt de bekostiging eenvoudiger, waardoor het begrip van de bekostiging toeneemt en het gesprek over waaraan het schoolbestuur haar middelen besteedt beter gevoerd kan worden. Daarnaast moeten scholen jaarlijks de GGL opnieuw berekenen en laten vaststellen door de accountant. Ook wordt er in de verdeling nu geen rekening gehouden met andere oorzaken voor hogere personeelslasten zoals zwangerschapsverlof, uitval vanwege ziekte en het opleidingsniveau van de leraren.

4. Waarom verdwijnt het onderscheid tussen onderbouw en bovenbouw?

In de huidige bekostiging zitten diverse onbedoelde prikkels, één daarvan is het verschil tussen het bedrag per leerling in de onderbouw en bovenbouw. Hierdoor kunnen scholen het als een norm ervaren dat de groepen in de onderbouw kleiner moeten zijn dan in de bovenbouw. Uit het veld blijkt dat er diverse afwegingen zijn voor het formeren van groepen, zoals pedagogische visie en schoolorganisatie. Dit is ook bij uitstek een aangelegenheid die om maatwerk op het niveau van de school vraagt. Met het weghalen van het huidige onderscheid tussen het bedrag per leerling in de boven- en onderbouw, verdwijnt de ervaren norm en worden scholen beter in staat gesteld op basis van eigen afwegingen keuzes te maken.

5. Waarom wil de minister in de materiële bekostiging niet vasthouden aan parameters en normbedragen?

De informatie die scholen nu ontvangen vanuit de programma's van eisen heeft een lage informatiewaarde, aangezien het verband met de hoogte van de materiële bekostiging niet meer bestaat. Daarnaast hebben besturen bestedingsvrijheid en weten zij zelf waar de middelen het beste aan besteed kunnen worden. Het loslaten van parameters en normbedragen zorgt niet voor een verandering in de hoogte van de (materiële) bekostiging.

6. Welke momenten zijn belangijk in het huidige en in het beoogde model?

Hieronder is in een tabel een overzicht gegeven van de verschillende bekostigingsmomenten en teldata. De huidige bekostigingssystematiek bestaat uit een deel personele bekostiging (bestaande uit reguliere bekostiging, budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid en de prestatiebox) en een deel materiële bekostiging. In de nieuwe systematiek zal de volledige bekostiging op basis van kalenderjaar geschieden. De teldatum wordt dan 1 februari t-1. Er wordt nog verkend, ook in overleg met het veld, wat het betaalritme wordt en wat de precieze bekendmakingsmomenten worden. Het voordeel van de nieuwe systematiek is dat er nu minder bijstellingsmomenten van het budget zijn, doordat de aanpassing als gevolg van de loon- en prijsbijstelling voortaan maar één keer per jaar plaatsvindt. De loonbijstelling gaat namelijk op kalenderjaarbasis, terwijl de personele bekostiging nu nog op schooljaarbasis wordt verstrekt. Daardoor heeft de loonbijstelling nu steeds betrekking op twee schooljaren, wat tot meerdere bijstellingsmomenten leidt. Hierdoor wordt de bekostiging na afloop van het schooljaar nog verhoogd en definitief vastgesteld. Deze verhoging belandt vaak in de reserves. In de nieuwe situatie weten schoolbesturen al gedurende het kalenderjaar wat het definitieve budget is en wordt er dus eerder duidelijkheid verstrekt.

Tabel vereenvoudiging bekostiging

7. Waarom is gekozen voor 1 februari als teldatum?

Het is voor schoolbesturen niet goed mogelijk en niet wenselijk om de teldatum van 1 oktober t-1 in de nieuwe systematiek te handhaven. Schoolbesturen horen dan pas gedurende het bekostigingsjaar welk budget zij ontvangen. Dit komt onder andere doordat het ongeveer twee maanden duurt voordat de leerlingenaantallen op de teldatum definitief bekend zijn. Dit alles betekent dat het voor schoolbesturen lang onduidelijk blijft welk budget zij zullen ontvangen. Met de verschuiving naar de teldatum februari t-1 verdwijnt dit probleem.

Deze datum heeft daarnaast twee andere belangrijke voordelen. Allereerst valt deze datum midden in het schooljaar. Daardoor wordt er gerekend met het gemiddeld aantal leerlingen dat in een bepaald schooljaar op een school zit. In de huidige systematiek zitten enkele correcties om rekening te houden met de groei gedurende het schooljaar. Deze correcties kunnen dus verdwijnen en zodoende wordt het budget nauwkeuriger bepaald en de systematiek minder complex. Het tweede voordeel is dat schoolbesturen, mede doordat de nieuwe bekostiging voorspelbaarder is, voor de start van het daaropvolgende schooljaar kunnen inschatten hoe hoog de bekostiging zal zijn in het volgende kalenderjaar. Deze informatie kunnen ze betrekken in de inrichting van het daaropvolgende schooljaar, bijvoorbeeld voor de omvang van het personeelsbestand.

8. Is er voldoende draagvlak?

De PO-Raad heeft haar achterban geraadpleegd door het voorstel te behandelen op de ALV van 22 november 2018. Voorafgaand hieraan hebben enkele regionale bijeenkomsten plaatsgevonden, waarbij het voorstel is toegelicht. Daarnaast zijn de herverdeeleffecten voor alle scholen en besturen inzichtelijk gemaakt, indien de maatregelen in schooljaar 2018-2019 zouden zijn ingevoerd. Het voorstel is uiteindelijk met een overduidelijke meerderheid aangenomen en kan rekenen op groot draagvlak. Naast de PO-Raad heeft ook de Onderwijsraad onlangs in haar rapport “Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden” de aanbeveling gedaan om de bekostiging te vereenvoudigen.

9. Helpt de vereenvoudiging dat er minder reserves worden opgebouwd?

De vereenvoudiging op zich heeft geen directe gevolgen voor het aanhouden en opbouwen van reserves. Wel wordt de bekostiging inzichtelijker en voorspelbaarder en wordt het gemakkelijker om een meerjarige financiële planning te maken. Daarnaast is het voordeel dat er minder bijstellingsmomenten van het budget zullen zijn, doordat de loon- en prijsbijstelling voortaan maar één keer plaatsvindt. De loonbijstelling gaat namelijk op kalenderjaarbasis, terwijl de personele bekostiging nu nog op schooljaarbasis wordt verstrekt. Daardoor heeft de loonbijstelling nu steeds betrekking op twee schooljaren, wat tot meerdere bijstellingsmomenten leidt. Hierdoor wordt de bekostiging na afloop van het schooljaar nog verhoogd en definitief vastgesteld. Deze verhoging belandt vaak in de reserves. In de nieuwe situatie weten schoolbesturen al gedurende het kalenderjaar wat het definitieve budget wordt. Hierdoor wordt de bekostiging voorspelbaarder en wordt er eerder duidelijkheid verstrekt.

10. Heeft de vereenvoudiging een verband met het onderzoek naar de toereikendheid van de bekostiging?

De vereenvoudiging van de bekostiging en het onderzoek naar de doelmatigheid en toereikendheid van de bekostiging zijn twee aparte trajecten. De vereenvoudiging van de bekostiging gaat budgetneutraal en heeft als doel de bekostiging minder complex, minder sturend en voorspelbaarder te maken. Als naar aanleiding van het onderzoek naar de doelmatigheid en toereikendheid van de bekostiging de hoogte van de bekostiging wordt aangepast, dan kan dit zowel voor als na de vereenvoudiging van de bekostiging. Deze twee trajecten staan elkaar dus niet in de weg.

 

Laatst gewijzigd: 
donderdag 18 april 2019

Nieuwscategorieën