Vragen en antwoorden over de Wet werk en zekerheid

Er doen veel berichten de ronde over de Wet werk en zekerheid en de gevolgen van die wet voor werknemers en werkgevers in het onderwijs. De PO-Raad vindt het belangrijk dat bij discussies hierover de juiste informatie wordt gebruikt. Daarom heeft ze diverse vragen en antwoorden op een rij gezet.

Wat is de Wet werk en zekerheid?
De Wet werk en zekerheid (Wwz) is een wet die de positie van flexwerkers op de gehele arbeidsmarkt moet versterken. Dankzij deze wet hebben zij bijvoorbeeld eerder recht op een vast contract. De Wwz is in werking getreden op 1 januari 2015. De belangrijkste wijzigingen, onder meer de ketenregeling die bepaalt dat elkaar opvolgende tijdelijke dienstverbanden op een zeker moment overgaan in een vast dienstverband,  gaan in op 1 juli 2015. Omdat werkgevers en werknemers in het primair onderwijs dit jaar geen nieuwe cao hebben afgesloten, mogen schoolbesturen gebruikmaken van een jaar overgangsrecht voor de ketenregeling. Zij hebben daarmee een jaar extra de tijd zich goed voor te bereiden op de veranderingen. 

Hoeveel leraren hebben nu een vast contract of juist een tijdelijke aanstelling?
In het primair onderwijs heeft 90 procent van alle werknemers een vast contract (vergelijk de marktsector: 85 procent). De tien procent met een tijdelijke aanstelling, bestaat voor een groot deel uit invalkrachten. Zij vallen in wanneer een leraar met een vast contract bijvoorbeeld ziek wordt. Dankzij deze flexibele krachten kunnen schoolbesturen ervoor zorgen dat leerlingen altijd naar school kunnen. Het primair onderwijs is de enige sector waar ziekte van een leraar (nog) niet leidt tot lesuitval.

Waarom geven schoolbesturen die laatste tien procent leraren niet ook gewoon een vast contract?
De PO-Raad is van mening dat een goede werkgever moet zorgen voor zoveel mogelijk zekerheid voor zijn medewerkers. Ze staat dan ook achter de uitgangspunten van de Wwz. Om bijvoorbeeld een zieke leraar op te kunnen vangen of een leraar die vanwege een begrafenis afwezig is, is het nodig dat scholen en hun besturen ook leraren flexibel kunnen inzetten. De 1100 schoolbesturen in het primair onderwijs moeten jaarlijks gemiddeld 340 keer een invaller regelen voor afwezige leraren. Voor een deel kan dit worden opgevangen met vaste contracten, maar voor een deel ook niet. Dat zit zo:

Het geld dat scholen krijgen om leraren van te betalen, is precies genoeg om ervoor te zorgen dat alle klassen ieder lesuur een leraar voor de klas hebben staan. Stel dat door een griepgolf veel leraren tegelijkertijd uitvallen en vervangen moeten worden, én alle vervangers een vast contract zouden krijgen. Dit betekent dat er te veel mensen in dienst zijn als de reguliere leraren weer beter zijn. Voor de extra leraren zijn dan gewoonweg niet genoeg lesuren beschikbaar. Zij krijgen dan dus salaris voor lessen die ze niet geven. Dit geld komt dan niet ten goede aan de klas. Dit geld hebben schoolbesturen bovendien niet, omdat ze, zoals gezegd, alleen worden bekostigd voor het aantal uren dat er les gegeven moet worden.

Álle invalkrachten in dienst nemen, is dus onbetaalbaar. Hier knelt de Wwz dan dus ook. Volgens de regels moeten de invalkrachten al een vast contract krijgen wanneer zij in twee jaar tijd drie keer één dag een zieke collega hebben vervangen. Het inzetten van uitzendkrachten is overigens om diezelfde reden geen optie. De loonkosten zouden daarmee 25 procent stijgen.

Wat is het alternatief?
Dertig procent van de behoefte aan flexibel inzetbare leraren wordt al opgevangen door werknemers met een vast contract. De PO-Raad vindt dat dat aandeel zeker om hoog moet en kan.

Dat kan bijvoorbeeld via vervangingspools. Veel scholen werken al met zo’n pool van invalkrachten. Leraren in zo’n pool zijn in vaste dienst. Zo’n pool kan er zijn voor één schoolbestuur of voor meerdere.
Om personeel flexibel in te kunnen zetten, kunnen schoolbesturen ook meer flexibiliteit vragen van vaste medewerkers. De PO-Raad praat hierover met de onderwijsbonden tijdens cao-gesprekken. Zo zouden leraren in de toekomst contracten kunnen krijgen waarin de wekelijks vastgestelde werktijd lager ligt dan de contractduur. De nog niet ingeroosterde uren maken het mogelijk dat zij op andere momenten flexibel inzetbaar zijn.

Een andere optie is de schoolteams geld en ruimte te geven zodat zij op de werkvloer zelf de beste oplossing kunnen vinden die past bij de eigen organisatie.

De PO-Raad pleit er verder voor belemmeringen weg te nemen die het in vaste dienst nemen van meer leraren beter mogelijk maakt, zowel in de CAO PO als in het reglement van het Vervangingsfonds en het Participatiefonds (de organisaties die gaan over de verevening van de kosten van ziekte en werkloosheid). Ontslagroutes korter en daarmee goedkoper maken, maakt hier deel van uit. Door de daling van het aantal leerlingen zijn scholen genoodzaakt om leraren te ontslaan. Het ontslaan van een werknemer die nu bijvoorbeeld 35 jaar in dienst is, kost makkelijk een half miljoen euro. Dat komt doordat een leraar in het primair onderwijs bij ontslag nog één of twee jaar doorwerkt voordat hij daadwerkelijk uit dienst is, hij intussen begeleiding krijgt bij het zoeken van een nieuwe baan, hij vervolgens transitievergoeding krijgt, dan een aanvullende uitkering op de WW en ten slotte nog een bovenwettelijke aansluitende  uitkering krijgt.  Ontslag goedkoper maken, zorgt ervoor dat scholen en hun besturen meer geld hebben om invalkrachten in vaste dienst te nemen en ook minder risico lopen op hoge kosten.

Al deze opties bij elkaar zijn echter nog altijd onvoldoende om álle zieke leraren mee te vervangen. Dat blijft onbetaalbaar. Scholen en hun besturen zullen dan in de problemen komen omdat zij niet langer voor één of enkele dagen een invalkracht kunnen inzetten zonder hen een vast contract te geven. Deze vervanging komt dan voor rekening van de leraren in vaste dienst die zich over de leraarloze klassen ontfermen. Dit betekent grotere klassen, verhoging van de werkdruk van leraren en minder aandacht voor de leerlingen, soms weken achtereen.

Toch is het nu eenmaal een wet. Scholen en hun besturen zullen het er dan toch mee moeten doen?
Dat klopt. Schoolbesturen moeten zich net als alle andere werkgevers gewoonweg houden aan de regels. De PO-Raad ondersteunt hen hierbij. Zo staan op de website van de PO-Raad de regels nog eens uitgelegd. Leden van de PO-Raad met vragen over de Wwz kunnen ook contact opnemen met de Helpdesk.

Ondertussen blijft de PO-Raad in gesprek met de Rijksoverheid over de te verwachten problemen en oplossingen hiervoor. In het belang van leerling, leraar, scholen en hun besturen.

Laatst gewijzigd: 
vrijdag 22 mei 2015

Nieuwscategorieën