Wetsvoorstel doorstroomtoets aangenomen - kansrijk onderwijsstelsel nog niet in zicht

De Kamer leek vorige week nog niet overtuigd van het effect van het Wetsvoorstel doorstroomtoetsen, maar stemde er vanmiddag alsnog mee in. Hoewel het wetsvoorstel de kansengelijkheid in de overgang van po naar vo zou moeten vergroten, zal het effect ervan marginaal zijn. Een echt kansrijker stelsel vraagt om meer flexibiliteit en doorlopende leerlijnen. 

De aangenomen wet bepaalt dat 1 april het centrale aanmeldmoment voor het vo wordt met ingang van schooljaar 2022-2023, dat de eindtoets verandert in een doorstroomtoets en dat het CvTE onafhankelijk toezichthouder wordt voor de aanbieders van toetsen.  

Pleisters plakken 

Demissionair minister Slob moest nog flink aan de bak om de Kamer te overtuigen van het nut van de wijzigingen die met deze wet worden doorgevoerd. Een deel van de Kamer ziet het als pleisters plakken op een stelsel dat de kansen van een deel van de leerlingen verkleint. Maar de minister vindt dit wetsvoorstel nodig om incidenten die in het verleden hebben plaatsgevonden, te voorkomen: de huidige situatie is volgens hem te kwetsbaar. Een beslissing over ingrijpender wijzigingen in het stelsel laat hij aan zijn opvolger. 

Het risico bestaat dat, nu de Kamer dit kleine stapje heeft gezet, de grote stap naar één kansrijk stelsel voor funderend onderwijs niet meer in beeld is. De PO-Raad vreest dat dit brede perspectief niet aan bod komt. We houden de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en blijven in gesprek met onder andere OCW, Cito en CvTE. De volgende stap in dit Wetstraject is stemming in de Eerste Kamer, later dit najaar. 

Kansrijk onderwijsstelsel 

De PO-Raad heeft zich al veelvuldig uitgesproken als voorstander van groot onderhoud om te komen tot een kansrijk onderwijsstelsel. We selecteren te vroeg in Nederland en vervolgens vormt het vo een ‘sjoelbak’ waarin afstromen gemakkelijker gaat dan opstromen. Latere selectie en meer flexibiliteit: dat is nodig.  

Dat de Kamer niet direct volledig stond te juichen bij dit wetsvoorstel, bleek wel uit de nodige amendementen die zij naast de wet aannam, waarvan er één van GroenLinks en SP last-minute nog aangepast werd, waarmee het draagvlak voor het passeren van de wet vergroot werd. Opvallende amendementen: 

  • Is het toetsadvies hoger dan het initiële schooladvies, dan wordt het advies in beginsel steeds naar boven bijgesteld. Wordt het advies niet bijgesteld, dan moet daarbij het belang van de leerling leidend zijn en de beslissing voldoende gemotiveerd (amendement van VVD); 

  • Anders dan in het aanvankelijke wetsvoorstel, is de Kamer in meerderheid voorstander van het behouden van een stelsel waarin zowel een overheidstoets als toetsen van marktpartijen naast elkaar bestaan. Om rollen zuiver te houden, wordt het aanbieden van die overheidstoets rechtstreeks bij Stichting Cito belegd en niet langer bij het CvTE. Deze laatstgenoemde krijgt de taak om toezicht te houden op de kwaliteit van alle doorstroomtoetsen. Om een marktmonopolie te voorkomen, wordt de taak voor het ontwikkelen en aanbieden van een overheidstoets rechtstreeks bij stichting Cito belegd (amendement van GL/SP). 

De PO-Raad is voorstander van zoveel mogelijk kansen voor ieder kind. Tegelijkertijd weten we dat in de sector druk wordt ervaren om altijd hoger te adviseren. Huiswerkinstituten floreren bij de toegenomen druk op eindtoetsen en schooladviezen. Zodra het schooladvies in beginsel bijgesteld móet worden n.a.v. een hoger toetsadvies leidt dit tot een versmalling van het schooladviseringsproces: de toets wordt (opnieuw) een te grote invloed op het schooladvies dat veel breder zou moeten zijn dan enkel een toets. De afgelopen jaren is o.a. door de PO-Raad werk gemaakt van het verder professionaliseren van het schooladvies. Daarbij hoort absoluut een gedegen heroverweging bij een hoger toetsadvies, maar een verplichte bijstelling leidt enkel tot teaching-to-the-test en we weten helaas dat daar vooral leerlingen met een hoge sociaaleconomische status van profiteren. 

Aanmeldmoment  

Verder werd er gestemd over enkele moties, waarbij één in het bijzonder de aandacht trok: een motie van D66 over het (onderzoeken van) één centraal aanmeldmoment zo laat mogelijk in het schooljaar van groep 8. De motie, die ná stemming over het wetsvoorstel en de bijbehorende amendementen werd aangenomen, vraagt iets anders dan wat het wetsvoorstel regelt, namelijk een zo vroeg mogelijk moment in het schooljaar. Indiener Van Meenen wees op deze tegenstrijdigheid en verzocht minister Slob om per brief uit te leggen hoe hij hiermee omgaat.

Laatst gewijzigd: 
dinsdag 14 september 2021

Nieuwscategorieën