Werkgeverszaken

Agenda

Net aangekondigd

Meer agenda-items

Veelgestelde vragen

  • Een werkneemster met een werktijdfactor van 0,8 (32 uur) neemt 8 uur per week ouderschapsverlof op en wil na afloop daarvan 24 uur blijven werken. Zij dient daartoe een verzoek in bij haar werkgever. Kan de werkgever dit weigeren?

    Op grond van artikel 2 van de Wet flexibel werken (Wfw) kan de werknemer de werkgever verzoeken om aanpassing van de arbeidsduur indien de werknemer ten minste 26 weken voorafgaand aan het beoogde tijdstip van ingang van die aanpassing in dienst is bij die werkgever (tenzij zich onvoorziene omstandigheden voordoen). Een werknemer dient een verzoek om aanpassing twee maanden voor de gewenste ingangsdatum schriftelijk bij de werkgever neer te leggen, waarna de werkgever hierover in overleg treedt met de werknemer. Uitgangspunt is dat een verzoek om wijziging van de arbeidsduur dient te worden ingewilligd door een werkgever. Een werkgever kan een dergelijk verzoek enkel afwijzen wanneer daarvoor zwaarwegende bedrijfsbelangen zijn. In de Wfw staat dat in cao’s of personeelsreglementen alleen andere afspraken mogen worden gemaakt wanneer het gaat om vermeerdering van de arbeidsduur of aanpassing van de werkplek of werktijd.

    Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is in ieder geval sprake als die vermindering leidt tot ernstige problemen:

    1. voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren;
    2. op het gebied van de veiligheid, of
    3. van rooster-technische aard.

    Uit de jurisprudentie blijkt dat de rechter hoge eisen stelt aan afwijzing van een verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur. Zie bijvoorbeeld deze uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De werkgever zal van goede huize moeten komen, wil hij het zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelang voldoende kunnen onderbouwen.  

  • Hoe bepaal je het individueel professionaliseringsbudget?

    Moeten wij bij het bepalen van de hoogte van het individueel professionaliseringsbudget rekening houden met de gemiddelde wtf van desbetreffend kalenderjaar of moeten we rekening houden met een andere methodiek?

    De hoogte van het professionaliseringsbudget in art 9.3 lid 2 cao po in tijd en geld wordt berekend naar rato van de werktijdfactor per schooljaar en naar rato van hoelang de werknemer dat schooljaar in dienst is. Dus niet per kalenderjaar omdat overeenkomstig de definitie in artikel 1.1. cao po met ’jaar’ in artikel 9.3. cao po een schooljaar wordt bedoeld. Een schooljaar loopt van 1 augustus tot en met 31 juli.

    Elke werknemer in het OP en OOP heeft naar rato van de werktijdfactor recht op een individueel professionaliseringsbudget van € 500,= netto per jaar en 2 uren per werkweek (art 9.3 lid 2 cao po) per schooljaar.

    Het individuele scholingsbudget voor 2020 en 2021 is verhoogd met €100,=  per jaar naar rato van de werktijdfactor (artikel 9.8 lid 2 cao po). 

  • Ik heb tijdelijk een vervanger gehad voor een corona-afwezige. Op welke grond kan ik de uitkeringskosten van die vervanging melden bij het Participatiefonds?

    Dat hangt ervan af of je de corona-afwezige als ziek hebt aangemerkt, of dat die gebruikmaakt van buitengewoon verlof.

    Gaat het om vervanging van iemand op buitengewoon verlof (artikel 8.8 cao PO 2018-2019, of artikel 8.7 cao PO 2019-2020), dan kun je een vergoedingsverzoek indienen op artikel 4:31 van het reglement PF, onder de daar geldende voorwaarden.

    Is de corona-afwezige als ziek aangemerkt, dan kan gebruik worden gemaakt van artikel 4:27 van het reglement PF, onder de daar geldende voorwaarden.

    Meer informatie vind je op de site van het Participatiefonds