Geschillen

Scholen in het primair onderwijs moeten volgens de wet en de CAO-PO zijn aangesloten bij een aantal geschillencommissies. Dergelijke commissies helpen geschillen in het onderwijs op te lossen.

Uit onderzoek is gebleken dat de meeste scholen in het primair onderwijs niet bewust kiezen voor een geschillencommissie maar dat ze uit gewoonte bij een specifieke commissie zijn aangesloten.

Hieronder vinden schoolbesturen meer informatie over deze commissies, de verschillende opties en de verplichtingen van schoolbesturen.

Verplichte aansluiting bij Onderwijsgeschillen

Voor geschillen die te maken hebben met de Wet medezeggenschap op scholen, de Wet kwaliteit (v)so en binnenkort de Wet passend onderwijs, zijn alle scholen verplicht aangesloten bij landelijke commissies die door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) zijn ondergebracht bij de Stichting Onderwijsgeschillen. Het gaat om de volgende commissies:

  • Landelijke Commissie voor geschillen Wms (voor geschillen tussen schoolbestuur en medezeggenschaporgaan, en tussen het bestuur van een samenwerkingsverband en ondersteuningsplanraad)
  • Landelijke Tijdelijke geschillencommissie ontwikkelingsperspectief (v)so (voor geschillen tussen het schoolbestuur en ouders over ontwikkelingsperspectief leerling (v)so)
  • Landelijke Arbitragecommissie passend onderwijs (voor geschillen binnen het bestuur van een samenwerkingsverband passend onderwijs)
  • Landelijke Commissie geschillen OOGO (voor geschillen tussen het bestuur van een samenwerkingsverband en de gemeenten(n) over het ondersteuningsplan)

Keuze voor aansluiting bij landelijke commissies

Scholen moeten daarnaast zijn aangesloten bij een viertal andere commissies:

  1. een bezwarencommissie functiewaardering ( voor bezwaren van werknemers tegen de beschrijving en/of  waardering van de functie)
  2. een geschillencommissie DGO (voor geschillen tussen het schoolbestuur en vakorganisaties)
  3. een commissie van beroep (voor beroepen van werknemers in het bijzonder onderwijs tegen o.m. rddf-plaatsing, ontslag, schorsing, overplaatsing, disciplinaire maatregelen)
  4. een klachtencommissie  (voor klachten, maar een schoolbestuur kan ipv  aan te sluiten bij een landelijke commissie, ook een eigen klachtencommissie instellen).

Voor die vier commissies geldt dat scholen vrij zijn te kiezen tussen geschillencommissies bijzonder onderwijs (die in stand worden gehouden door enkele besturenorganisaties) dan wel de geschillencommissies van de Stichting Onderwijsgeschillen.

Alle inhoud binnen dit onderwerp

Laatste nieuws

  • Het Openbaar Ministerie wil drie docenten van een basisschool en twee badmeesters vervolgen voor de verdrinking van het Syrische meisje dat vorig jaar na de zwemles dood gevonden werd in een zwembad in Rhenen. Dat meldde de NOS eerder deze maand. De PO-Raad spreekt op nos.nl van een unieke en bijzondere zaak en zal een eventuele vervolging met arendsogen volgen.

  • De Raad van State heeft een negatief advies uitgebracht over een wetsvoorstel van de PvdA om het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief (opp) afhankelijk te maken van instemming van ouders. De PO-Raad en VO-raad ontvangen geen signalen dat het huidige op overeenstemming gerichte overleg (oogo) onvoldoende is en sluiten zich daarom aan bij het advies van de Raad van State.

  • Passend onderwijs heeft tijd, ruimte en vertrouwen nodig. Dit benadrukten diverse sprekers uit het onderwijsveld gisteren bij het ronde tafelgesprek over passend onderwijs in de Tweede Kamer.

Veelgestelde vragen

  • Moet op het inschrijfformulier van een leerling de handtekening van beide ouders staan, ook al is er sprake van een (v)echtscheiding?

    In dit soort situaties kun je het bijna niet goed doen; er zal altijd een ouder bezwaar hebben. Maar toch even de formele kant:
    Aangenomen dat beide ouders (nog) het ouderlijk gezag hebben zouden ze strikt genomen beiden moeten tekenen. Dat is in voorkomende situaties regelmatig niet te doen. Daarom is in het Burgerlijk Wetboek geregeld dat derden die te goeder trouw zijn er van uit mogen gaan dat elke beslissing genomen door één ouder gebeurde mét toestemming van de andere ouder. Alleen als derden (zouden moeten) weten dat er op een bepaald gebied onenigheid is tussen de ouders, vervalt dit vermoeden en hebben zij de expliciete toestemming van beide ouders nodig.

    Wanneer een moeder haar kind komt inschrijven op school, en de school weet niets van conflicten tussen de ouders omtrent deze inschrijving, mag de school het kind dus rechtsgeldig inschrijven. Wanneer de vader achteraf laat weten niet akkoord te gaan met deze inschrijving, blijft de inschrijving bestaan én kan de vader deze enkel aanvechten voor de rechter.  Wanneer de school echter op het moment van de inschrijving zou weten dat de vader hiermee niet akkoord gaat, kan het kind niet rechtsgeldig ingeschreven worden. Het kind zal pas ingeschreven kunnen worden wanneer ouders hierover een akkoord bereiken, of wanneer een rechter de knoop doorhakt in dit conflict. Indien enigszins mogelijk is het advies te overleggen met beide ouders (en mogelijk de oude school) en pleiten voor rust totdat de zaak door de rechter is beslist. Wat is het beste voor het kind; nog een aantal weken op de oude school of op de nieuwe, allebei met het risico dat het later toch weer anders wordt? Mocht dat niet lukken: hiervoor is de formele kant beschreven, daar zult u dan naar moeten handelen.

     

  • Het reglement voor de medezeggenschapsraden van onze scholen laten we vaststellen door de GMR zodat we een uniform MR-reglement hebben voor al die scholen. Is dit de juiste manier om dat te regelen?

    Het vaststellen van het reglement van de Medezeggenschapsraad (MR) is omschreven in artikel 23 van de WMS. Dit artikel gaat ervan uit dat voor iedere school afzonderlijk een reglement wordt vastgesteld en dat iedere MR van een school over zijn eigen medezeggenschapsreglement moet kunnen oordelen.

    Een en ander laat onverlet dat het bevoegd gezag de vrijheid heeft om voor iedere school een zelfde medezeggenschapsreglement vast te stellen. Het streven naar uniformiteit is legitiem en ook in beginsel redelijk.

    Stel een MR wil van het voorgestelde reglement afwijken. Het bevoegd gezag weigert dat met een beroep op de gewenste uniformiteit (ik wil als bevoegd gezag iedere MR gelijk behandelen, gelijke rechten en plichten geven etc.). Dat kan dan tot een reglementsgeschil leiden. De Landelijke Commissie Geschillen (LGC) zal dan moeten afwegen of met betrekking tot het gewraakte punt het streven van het bevoegd gezag naar uniformiteit al dan niet onredelijk is.

    Wanneer de GMR het reglement van de scholen vaststelt, is de gedachte kennelijk dat de vaststelling van een (uniform) medezeggenschapsreglement een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang is, waardoor de GMR in de bevoegdheid treedt van de afzonderlijke MR’en (artikel 16, eerste lid WMS).

    Deze redenering gaat niet op, omdat:

    • De bevoegdheid van een MR om over zijn eigen medezeggenschapsreglement een oordeel te geven expliciet in artikel 23, lid 2 WMS is geformuleerd en in het eerste lid van dat artikel is bepaald dat het bevoegd gezag voor iedere MR een reglement vaststelt.
    • Er elders in de WMS geen bepaling is, die stelt dat artikel 23 buiten toepassing blijft in het geval er een GMR is.

    Het is dus niet de bedoeling dat de GMR het reglement voor de afzonderlijke MR’en vaststelt.