Agenda

Net aangekondigd

Meer agenda-items

Veelgestelde vragen

  • Moet op het inschrijfformulier van een leerling de handtekening van beide ouders staan, ook al is er sprake van een (v)echtscheiding?

    In dit soort situaties kun je het bijna niet goed doen; er zal altijd een ouder bezwaar hebben. Maar toch even de formele kant:
    Aangenomen dat beide ouders (nog) het ouderlijk gezag hebben zouden ze strikt genomen beiden moeten tekenen. Dat is in voorkomende situaties regelmatig niet te doen. Daarom is in het Burgerlijk Wetboek geregeld dat derden die te goeder trouw zijn er van uit mogen gaan dat elke beslissing genomen door één ouder gebeurde mét toestemming van de andere ouder. Alleen als derden (zouden moeten) weten dat er op een bepaald gebied onenigheid is tussen de ouders, vervalt dit vermoeden en hebben zij de expliciete toestemming van beide ouders nodig.

    Wanneer een moeder haar kind komt inschrijven op school, en de school weet niets van conflicten tussen de ouders omtrent deze inschrijving, mag de school het kind dus rechtsgeldig inschrijven. Wanneer de vader achteraf laat weten niet akkoord te gaan met deze inschrijving, blijft de inschrijving bestaan én kan de vader deze enkel aanvechten voor de rechter.  Wanneer de school echter op het moment van de inschrijving zou weten dat de vader hiermee niet akkoord gaat, kan het kind niet rechtsgeldig ingeschreven worden. Het kind zal pas ingeschreven kunnen worden wanneer ouders hierover een akkoord bereiken, of wanneer een rechter de knoop doorhakt in dit conflict. Indien enigszins mogelijk is het advies te overleggen met beide ouders (en mogelijk de oude school) en pleiten voor rust totdat de zaak door de rechter is beslist. Wat is het beste voor het kind; nog een aantal weken op de oude school of op de nieuwe, allebei met het risico dat het later toch weer anders wordt? Mocht dat niet lukken: hiervoor is de formele kant beschreven, daar zult u dan naar moeten handelen.

     

  • Het reglement voor de medezeggenschapsraden van onze scholen laten we vaststellen door de GMR zodat we een uniform MR-reglement hebben voor al die scholen. Is dit de juiste manier om dat te regelen?

    Het vaststellen van het reglement van de Medezeggenschapsraad (MR) is omschreven in artikel 23 van de WMS. Dit artikel gaat ervan uit dat voor iedere school afzonderlijk een reglement wordt vastgesteld en dat iedere MR van een school over zijn eigen medezeggenschapsreglement moet kunnen oordelen.

    Een en ander laat onverlet dat het bevoegd gezag de vrijheid heeft om voor iedere school een zelfde medezeggenschapsreglement vast te stellen. Het streven naar uniformiteit is legitiem en ook in beginsel redelijk.

    Stel een MR wil van het voorgestelde reglement afwijken. Het bevoegd gezag weigert dat met een beroep op de gewenste uniformiteit (ik wil als bevoegd gezag iedere MR gelijk behandelen, gelijke rechten en plichten geven etc.). Dat kan dan tot een reglementsgeschil leiden. De Landelijke Commissie Geschillen (LGC) zal dan moeten afwegen of met betrekking tot het gewraakte punt het streven van het bevoegd gezag naar uniformiteit al dan niet onredelijk is.

    Wanneer de GMR het reglement van de scholen vaststelt, is de gedachte kennelijk dat de vaststelling van een (uniform) medezeggenschapsreglement een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang is, waardoor de GMR in de bevoegdheid treedt van de afzonderlijke MR’en (artikel 16, eerste lid WMS).

    Deze redenering gaat niet op, omdat:

    • De bevoegdheid van een MR om over zijn eigen medezeggenschapsreglement een oordeel te geven expliciet in artikel 23, lid 2 WMS is geformuleerd en in het eerste lid van dat artikel is bepaald dat het bevoegd gezag voor iedere MR een reglement vaststelt.
    • Er elders in de WMS geen bepaling is, die stelt dat artikel 23 buiten toepassing blijft in het geval er een GMR is.

    Het is dus niet de bedoeling dat de GMR het reglement voor de afzonderlijke MR’en vaststelt.