Werkgeverszaken

Docent dit een jonge meid iets voortekent op een digitaal schoolbord

Hoe krijgen we voldoende en ook de beste mensen voor de klas? Dat is op dit moment de hamvraag als we het hebben over werkgeverszaken. Het complexe arbeidsmarktprobleem in het primair onderwijs is niet alleen een vraagstuk voor de politiek. De sector beschikt zelf over een aantal belangrijke knoppen om aan te draaien. Te beginnen bij het beroepsbeeld, dat bepalen we in de sector zélf. De sector moet verder zorgen voor uitdagend werk, goede arbeidsvoorwaarden en een interessant carrièreperspectief. Niet alleen voor leraren, maar ook voor directeuren en ondersteunend personeel. Werknemers voelen zich erkend en gesteund door passende arbeidsvoorwaarden en een goed hr-beleid waar ze zelf over meepraten. 

In de Strategische Agenda van de PO-Raad maken we afspraken om de sector primair onderwijs nog meer een aantrekkelijke werkomgeving te maken.

Wat doet de PO-Raad?

De PO-Raad behartigt de belangen van de schoolbesturen op het terrein van werkgeverszaken en informeert en adviseert de leden over ontwikkelingen op dit terrein. Werkgeverszaken betreft alle onderwerpen die te maken hebben met de relatie tussen werkgever en werknemer, zowel collectief (bijvoorbeeld via het afsluiten van een cao) als individueel (bijvoorbeeld ondersteuning van leden via de Helpdesk). In het menu onder deze tekst kunt u doorklikken naar meer informatie over de verschillende thema's: Aanpak lerarentekort, Arbeidsrecht actueel, CAO PO, HRM en Pensioen.

Expertgroepen

Via diverse expertgroepen wordt het bestuur en bureau van de PO-Raad gevoed door de leden. De arbeidsvoorwaardencommissie van de PO-Raad heeft tot taak om het bestuur te adviseren over het mandaat en de inzet van af te sluiten cao's. De expertgroep Professionele teams adviseert onder andere over professionaliseringsthema’s die spelen binnen de schoolorganisaties. Daarnaast organiseert de PO-Raad een aantal bijeenkomsten per jaar voor P&O-ers (Kennisgroep P&O). Doel van de bijeenkomsten is om stil te staan bij de ervaringen in de praktijk van de cao en het hr-beleid van schoolbesturen.

Laatste nieuws

Agenda

Net aangekondigd

Komende evenementen

Meer agenda-items

Toolbox Werkgevers- zaken en HRM

In deze toolbox vindt u hulpmiddelen die u kunnen helpen bij het goed organiseren van HRM en personeelsbeleid.

Cao primair onderwijs

Kennisgroep P&O

Arbeidsvoorwaarden- commissie

Aanpak lerarentekort

Wat is er nodig om het lerarentekort op te lossen?

Veelgestelde vragen

  • Waarom loopt de opbouw en opname van het vakantieverlof van 1 oktober tot 1 oktober?

    Volgens artikel 8.1 CAO PO loopt de opbouw van het vakantieverlof van oktober tot oktober. Het schooljaar en daarmee de afspraken over de jaartaak, lopen van augustus tot augustus. Waarom is dit zo?

    De verlofopbouw loopt van 1 oktober tot 1 oktober omdat in die periode altijd evenveel weken schoolvakantie vallen, waardoor je met het opnemen en opbouwen van verlof altijd op dezelfde manier uitkomt met de verlofuren ten opzichte van de schoolvakantieweken. Wanneer de verlofopbouw gelijk zou lopen aan het schooljaar, van 1 augustus tot 1 augustus, of zou lopen van 1 september tot 1 september zou dat, vanwege de spreiding van de zomervakantie, niet het geval zijn. Omdat werknemers in het onderwijs meestal niet op 1 oktober naar een andere werkgever overstappen, maar vaak op 1 augustus of op de datum waarop de zomervakantie bij hun nieuwe school eindigt, is het zaak om de vakantiekaart goed bij te houden. Indien de werknemer ontslag neemt dient de vakantiekaart om vast te stellen of de werknemer nog recht heeft op het uitbetalen van opgebouwd vakantieverlof of dat het genoten verlof de opbouw overschrijdt en in mindering kan worden gebracht op de laatste salarisbetaling.

  • Heeft een werknemer die na langdurige arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 3.7 lid 2 CAO PO en artikel 20 lid 6 ZAPO in een lager betaalde functie wordt herplaatst aanspraak op gedeeltelijke transitievergoeding?

    De vraag die hier beantwoord moet worden is of een vermindering van het salaris als gevolg van een functiewijziging gelijkgesteld dient te worden met een vermindering van de arbeidsduur. Op basis van het zogenoemde Kolom-arrest kan een werknemer namelijk recht hebben op een gedeeltelijke transitievergoeding indien sprake is van een (substantiële en structurele) vermindering van de arbeidsduur van de werknemer. Geldt datzelfde voor de gevallen waarin de arbeidsduur weliswaar gelijk blijft, maar het salaris lager wordt? In het Kolom-arrest en later in het Sipor-arrest is door de Hoge Raad bepaald dat herplaatsing in een andere passende functie met een lager salaris niet kan worden gelijkgesteld aan gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:673 BW. Een vermindering van salaris (zonder urenverlies) die het gevolg is van herplaatsing geeft dan ook geen recht op een transitievergoeding. Zie voor de uitspraak HR, 17-04-2020, nr. 19/04725

    De toekenning van een transitievergoeding is en blijft dus gekoppeld aan de (gedeeltelijke) beëindiging van de arbeidsovereenkomst en staat los van de hoogte van het salaris c.q. het functieniveau. 

    De overwegingen van de Hoge Raad waren als volgt:  

    • Met het wettelijke stelsel en het karakter van de transitievergoeding is niet verenigbaar dat aanspraak ontstaat op een gedeeltelijke transitievergoeding bij een inkomensachteruitgang door herplaatsing in een functie met een lager salaris. Herplaatsing in een andere passende functie (zonder urenverlies) is geen vorm van beëindiging als bedoeld in art. 7:673 BW. Een dergelijke herplaatsing door de werkgever wordt in het wettelijke stelsel, blijkens art. 7:669 lid 1 BW in verbinding met art. 7:673 BW, juist gezien als een (in beginsel voorgeschreven) weg om te voorkomen dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. 
    • Herplaatsing in een andere passende functie is ook niet op een lijn te stellen met gedeeltelijke beëindiging van een arbeidsovereenkomst, zoals bedoeld in de Kolom-beschikking, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de werknemer recht heeft op transitievergoeding naar evenredigheid van de vermindering van de arbeidsduur als sprake is van een substantiële (20% of meer) en structurele (van blijvende aard) vermindering van de arbeidsduur. Die wettelijke regeling is niet bedoeld om een vergoeding aan de werknemer toe te kennen voor verlies van inkomen om andere redenen.
    • Ter verduidelijking oordeelt de Hoge Raad verder dat als een werknemer een inkomensachteruitgang van ten minste 20% heeft die het gevolg is van de combinatie van een structurele vermindering van de arbeidsduur met minder dan 20% en herplaatsing in een functie met een lager salaris, er evenmin aanspraak op een (gedeeltelijke) transitievergoeding bestaat. In dat geval is immers niet voldaan aan de eis van een substantiële vermindering van de arbeidsduur, zoals bedoeld in de Kolom-beschikking. 
  • Een werknemer heeft een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor één jaar gehad. Dezelfde werknemer heeft nu een tweede tijdelijke arbeidsovereenkomst voor één jaar en zegt deze tussentijds op. Geldt nu een opzegtermijn van 1 maand of van 2 maanden?

    Volgens artikel 3.9 lid 4 jo. lid 1 CAO PO geschiedt opzegging tegen het einde van de maand en geldt voor de werknemer die ontslag neemt een opzegtermijn van ten minste 1 maand als de arbeidsovereenkomst korter dan 12 maanden heeft geduurd en ten minste twee maanden als de arbeidsovereenkomst 12 maanden of langer heeft geduurd.

    De vraag is nu of de eerste tijdelijke arbeidsovereenkomst meetelt voor de vaststelling van de duur van het dienstverband. Om die vraag te beantwoorden is art. 7:668a lid 4 BW relevant. Daarin wordt bepaald dat wanneer sprake is van een keten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, de termijn van opzegging wordt berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de eerste arbeidsovereenkomst uit die keten.

    Van een keten is sprake wanneer aansluitend een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt gesloten, maar ook wanneer er binnen zes maanden nadat het de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is geëindigd een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt gesloten.

    Voor deze werknemer geldt dus een opzegtermijn van (ten minste) 2 maanden.