Lesobservatie-instrument met als aangrijpingspunt de leraar-leerling-interacties

Afbeeldingsresultaat voor cego.be

Doel

“Als ik in mijn tuin bezig ben, merk ik plots op dat een jonge merel mij regelmatig komt opzoeken. Hij heeft door dat als ik de grond aan het bewerken ben, dat daar wel enig voedsel naar boven komt” (Prof. F. Laevers)

Zo is het ook met betrokkenheid creëren in je klas. Op zoek gaan welke aanpak effectief kan zijn en dus leerwinst oplevert, welke aanpak ‘aanslaat’ bij de kinderen. De leerstof zo aanbieden dat ze er spontaan noodzakelijk voedsel in zien, dat ze elke keer opnieuw gemotiveerd worden, zin krijgen in leren en in hun kracht  gaan staan. Met het in kaart brengen van betrokkenheid krijgen we onmiddellijk feedback over de mate waarin een (bijgestelde) aanpak succes heeft.

We nemen allemaal het woord betrokkenheid makkelijk in de mond. Maar juist betrokkenheid doet er werkelijk toe om alle kinderen in ontwikkeling te zetten. Het is de barometer van je school. Wanneer kinderen hoog betrokken zijn, vindt er fundamentele ontwikkeling plaats. Betrokkenheid zorgt voor een grotere output bij kinderen, waardoor zij hun zin in leren vergroten en met maximale kansen voorbereid worden op het latere leven.

Het primaire doel van het werken met de LBS is dan ook het gericht leren kijken naar alle aspecten van de (krachtige) leeromgeving (lesscenario’s, werkvormen, ....) mét daarin een centrale plaats voor de interactie tussen leraren en leerlingen. Het middel dat daartoe wordt gebruikt zijn o.a. beelden van lessen, waarin het effect van het eigen handelen en van andere relevante elementen uit de leeromgeving op de leerlingen kan worden geobserveerd.

Wat wordt gemeten?

De LBS meet de betrokkenheid van de leerlingen in het onderwijsproces, waar de leerkracht een hele grote invloed op heeft.

LBS bestaat uit een lijst met signalen van gedrag waarop men zich als beoordelaar kan richten, vervolgens zijn er vijf schaalwaarden te onderscheiden, de niveaus van betrokkenheid.

Betrokkenheid kun je scoren met de scanning-techniek vanuit de Leuvense betrokkenheidsschaal (LBS).

De definitie die aan betrokkenheid is gegeven is als volgt:

BETROKKENHEID IS...

  • een bijzondere kwaliteit van menselijke activiteit,
  • die zich laat herkennen aan een geconcentreerd, aangehouden en tijd vergeten bezig zijn
  • waarbij de persoon
    • zich openstelt, zich gemotiveerd voelt en geboeid is,
    • een intense mentale activiteit aan de dag legt,
    • een grote hoeveelheid energie vrijmaakt en een sterke voldoening ervaart,
  • omdat
    • de activiteit aansluit bij zijn exploratiedrang en interessepatroon
    • en zich aan de grens van zijn individuele mogelijkheden situeert,
  • waardoor duurzaam leren plaatsvindt.

( Uit “Een procesgerichte aanpak voor 6- tot12-jarigen in het basisonderwijs” (Laevers & Heylen, 2013)

Omschrijving schaalwaarden scanningsformulier betrokkenheid

Schaalwaarde 1: geen activiteit

We reserveren deze score voor de momenten waarop leerlingen op 'non-actief staan. Op dit moment heeft de leerling volledig afgehaakt. Er is geen spoor van enige mentale activiteit met betrekking tot de 'taak'. De leerling is volledig afwezig, zit te dromen, staart naar buiten, prult met z’n lat. Wanneer er toch activiteit is tijdens deze momenten is ze niet taakgericht: poppetjes tekenen op een stukje papier, een intens gesprek voeren of een spelletje spelen met een ander, de hijskraan buiten op straat bestuderen tijdens de wiskundeles.... Onder schaalwaarde l nemen we tevens alle momenten op waarin leerlingen schijnbaar actief bezig zijn. Wanneer de leerkracht een taak geeft, begint de leerling bijvoorbeeld uitgebreide voorbereidingen te treffen (late reactietijd) zoals z'n stoel goed zetten, etuit uitladen, een goede pen uitzoeken, vulling controleren, schriften goed schikken, veel tijd nemen voor de titel en de datum... Dit alles noemen we anticiperende handelingen. Deze wijzen alleen op het ontbreken van betrokkenheid wanneer ze als pure tijdsvulling overkomen en niet-functioneel zijn of wanneer ze aan een zeer traag tempo worden uitgevoerd. Op deze manier tracht men het moment dat men aan de eigenlijke taak moet beginnen, uit te stellen

Schaalwaarde 2: vaak onderbroken activiteit

Waar in niveau l nagenoeg heel de observatieperiode uit niets doen of uit schijnactiviteit bestaat, kunnen we hier momenten van (taakgerichte) activiteit constateren. Er wordt naar een uitleg geluisterd, aan een opdracht gewerkt, leerlingen steken af en toe hun vinger op. Maar dit neemt bij benadering slechts de helft van de tijd in beslag. De talrijke of lange onderbrekingen bestaan uit ongericht wegkijken, dromen, prullen. Een variant van deze schaalwaarde bestaat uit een vrijwel ononderbroken activiteit die van die aard is dat ze weinig of geen beroep doet op cognitieve vaardigheden. Er is geen progressie. Het zijn vaak geautomatiseerde handelingen zoals overschrijven van het bord. Het is meer dan het simpelste stereotype handelen, maar net te weinig om echt van een volwaardige "activiteit" te spreken. De lage complexiteit (één van de signalen) maakt dan ook dat de leerling de handelingen met een zekere "afwezigheid" kan uitvoeren.

Schaalwaarde 3: min of meer aangehouden activiteit

Leerlingen zijn gedurende de observatie-episode nagenoeg aangehouden bezig met een bepaalde activiteit. Ze zijn bezig met een taak, luisteren en participeren mee aan de les door een inbreng te doen. Echte betrokkenheids-signalen ontbreken evenwel. Ze lijken veeleer onverschillig bezig, zonder veel inzet van energie. Een zekere non chalence is bij sommige leerlingen merkbaar. Ze vliegen als het ware op 'automatische piloot'. In tegenstelling met de schijn-activiteiten, zien we wel een zekere voortgang in wat ze doen. Het is dus geen herhalen van uiterst simpele handelingen. De 'taak' wordt in grote mate volbracht. Bovendien zijn ze zich bewust van de handelingen die ze stellen, ze zijn er met hun gedachten bij. Maar het werk of spel raakt hen niet echt. Leerlingen bewegen zich aan de oppervlakte; ze doen één en ander, maar het doet hen niets. Typisch is dat men de activiteit staakt als er een (aantrekkelijke) prikkel in het vizier komt. Een andere situatie welke we onder schaalwaarde 3 plaatsen, is wanneer het lijkt dat iemand er niet helemaal bij is, maar als de leerkracht een vraag stelt, volgt er onmiddellijk een correct antwoord. De leerling heeft het klasgebeuren op een oppervlakkige manier gevolgd zodanig dat hij de meest belangrijke dingen heeft opgenomen. Dit komt vooral voor wanneer de activiteit onder de mogelijkheden van de leerling ligt. Juist omdat hij de leerstof vlug doorheeft, is hij in staat de les met een minimum aan aandacht te volgen. Hij houdt 'de motor' als het ware draaiend om snel terug aan te sluiten van zodra het interessanter wordt.

Schaalwaarde 3': Schijnbetrokkenheid:

Onder de schaalwaarde 3' brengen we die momenten waarop leerlingen gedurende nagenoeg de hele observatieperiode aandachtig zijn, maar het kost heel wat aan energie. Slechts met een flinke dosis wilskracht en doorzettingsvermogen slagen leerlingen erin aan het werk of bij de zaak te blijven. Die negatieve spanning merken we aan het feit dat leerlingen zich erg onrustig en gespannen tonen. Gevoelens van onbehagen, frustratie of verveling uiten zich in symptoomgedragingen. Dit zijn handelingen die als steuntje dienen om aan de activiteit te blijven of die een zekere bevrediging schenken en op die manier spanningsreducerend werken. Men gaat zelf energie in de activiteit stoppen en zelf aangename gewaarwordingen teweeg brengen om aan het werk te blijven. Soms is afhaken niet mogelijk zonder dat de leraar het heeft gemerkt en de leerling er terug bij roept. Dwang en sterke controle maken dan dat leerlingen noodgedwongen, maar vervuld van onbehagen, bij de activiteit blijven. Een andere situatie die we onder deze schaalwaarde zetten, is die waar leerlingen niet voldoende tot activiteit kunnen komen door de aanpak van de leerkracht. De frustratie die hier uit voortkomt, leidt ertoe dat leerlingen elke kans tot actie zoeken om te benutten. Wanneer de leerkracht een aanbod doet om iets te doen: aan het bord komen, een antwoord geven, iets uitdelen, naar voor komen, de opdracht lezen.... reageert de leerling onmiddellijk. Op de andere meer passieve momenten zakt de aandacht terug weg en duiken de symptomen weer op, tot er een nieuw aanbod is.

Schaalwaarde 4: activiteit met intense momenten

Bij schaalwaarde 4 is er niet alleen sprake van activiteit, bovendien valt nagenoeg voor de helft van de observatietijd uit de signalen betrokkenheid af te leiden. De activiteit krijgt voor de leerling écht betekenis. Dit is af te leiden uit een aantal betrokkenheidssignalen. Belangrijk zijn hier concentratie, niet 'afgedwongen' persistentie, geringe afleidbaarheid en nauwkeurigheid. Interessepunten en exploratiebehoefte zijn de onderliggende drijfveren. Een variant bestaat in een aangehouden en met concentratie gepaard gaande activiteit (niveau 5), waarvan de complexiteit evenwel niet voldoet: de handelingen ontlenen hun spankracht aan een gekozen doel (iets maken) maar zijn op zich eerder routinematig (vergen geen grote inzet van mentaal vermogen).

Schaalwaarde 4': schijnbetrokkenheid: variant 2

Leerlingen zijn actief en intens bezig met een bepaalde activiteit en gaan daar in op. De betrokkenheidssignalen energie, concentratie, persistentie, mimiek en houding zijn herkenbaar. Leerlingen beleven plezier aan de activiteit. Het enige verschil met schaalwaarde 4 ligt in de bron van de intense activiteit. Wat maakt deze momenten zo succesvol? De voldoening ligt niet zoals bij betrokkenheid in het bevredigen van de exploratiedrang (verkennen van een stuk werkelijkheid), maar in het bevredigen van andere behoeften. Bijvoorbeeld de behoefte aan sensatie; wat is letterlijk: zintuiglijke ervaringen (lekker eten, een knuffel) en figuurlijk: hevige emoties ten gevolge van sensationele ervaringen (spanning, extase, vervoering, nieuwsgierigheid). Jongeren hebben tijdens deze momenten vaak de kans om zich te ontladen (zich fysiek uitleven, veel lawaai mogen maken). Deze momenten worden gekenmerkt door entertainment, animatie of' ‘simpele' humor.

Schaalwaarde 5: volgehouden intense activiteit

Schaalwaarde 5 reserveren we voor activiteiten die met grote betrokkenheid gepaard gaan. De leerling is duidelijk opgeslorpt door zijn/haar bezigheid. De blik is nagenoeg ononderbroken gericht op de handelingen en het materiaal. Bij luistermomenten ziet men echter soms het tegengestelde. Een sterk naar binnen gerichte blik verraadt dan de inwendige mentale activiteit. Omgevingsprikkels bereiken hem/haar niet of nauwelijks. Handelingen volgen elkaar vlot op en vergen een mentale inspanning. Die wordt op een vanzelfsprekende manier en niet door inzet van pure wilskracht, opgebracht. Er spreekt uit de scène een zekere gespannen zijn op... (zakelijk en niet in emotionele zin!). Men beweegt zich op de grens van de eigen mogelijkheden. Men voelt een grote schroom om de leerling (om wat dan ook) te onderbreken. We zouden hem/haar uit een bijzondere toestand 'halen'. Voor Schaalwaarde 5 moeten vooral de signalen "concentratie", "persistentie", "energie" en "complexiteit" in grote mate aanwezig zijn. De activiteit gaat soms met een grote ernst (positieve taakspanning) gepaard. Dan is, pas na het voltooien van de activiteit, voldoening uit mimiek en houding af te lezen.

Proces

De LBS is opgesteld als handreiking voor scholen die streven naar een hoog welbevinden en betrokkenheid op hun school. Scholen kunnen de LBS gebruiken om kinderen te volgen in hun leerproces (dus naast opbrengsten brengt het ook het proces in beeld), maar ook om lessen/activiteiten en de dag te evalueren; past mijn les voor de leerlingen i.p.v. past de leerling in mijn les!

Er zijn 7 factoren die invloed hebben op het verhogen van de betrokkenheid, de leerkracht is de overkoepelde factor. De reflectie en vervolgens de aanpak die een leerkracht kiest, heeft direct invloed op de kwaliteit van het proces.

De LBS leent zich om op eigen manier te gebruiken, maar dat vraagt wel om nauwkeurigheid en training van de mensen die het inzetten als scannings- en screeningsinstrument.

Relatie met andere instrumenten

De LBS is een onderdeel van het procesgericht werken. Deze methodiek strekt zich uit over het gehele onderwijsproces: voor alle leerlingen (de groep), enkele leerlingen (subgroep) en een individuele leerling.

Looqin KO en Looqin PO zijn kindvolgsystemen speciaal ontwikkelt voor het in kaart brengen van het proces van het kind, gekoppeld aan de prestaties.

Externe validering

De LBS en de uitgangspunten van het procesgericht werken  zijn ontwikkeld op basis van wetenschappelijke onderzoek op KU Leuven onder leiding van professor Ferre Leavers .

(Centrum voor Ervaringsgericht onderwijs België en Nederland)

Literatuur: “Een procesgerichte aanpak voor 6- tot 12-jarigen in het basisonderwijs” (Laevers & Heylen, 2013)

Het is een ontwikkelingsgericht instrument. Er is geen informatie ontvangen over de relatie met het Toetsingskader van de PO-Raad.

Tijdsbeslag en kosten

Om het kijken naar betrokkenheid en het gebruik van LBS goed onderbouwd en objectief te kunnen inzetten, behoeft het training. Afhankelijk van de beginsituatie en vraag van de school/leerkrachten/IB-er/pedagogen wordt een passend voorstel gemaakt.

CEGO beschikt over een betrokkenheids-audit voor scholen.

Kosten: € 1500,- inclusief verslag

Meer informatie

www.cego.be

www.tweemonds.nl

Wijzer in Zien en Kijken: Inventarisatie lesobservatie-instrumenten