• Waarom zijn werkgeverslasten in het primair onderwijs hoger dan in het voortgezet onderwijs?

    Het verschil in werkgeverslasten voor het primair onderwijs (po) vergeleken met voortgezet onderwijs (vo) heeft onder meer te maken met een verschil in berekenen. Zo worden binnen het po de emolumenten (beloningen die niet behoren tot het normale salaris) wel meegenomen in de berekening van de totale werkgeverslasten, terwijl dat binnen het vo slechts gedeeltelijk het geval is. Ook zijn de overige werkgeversbijdragen in het vo lager dan binnen het po vanwege onder andere de premies voor het Vervangingsfonds en het Participatiefonds. Deze kosten maken ze in het vo ook, maar je vindt ze niet terug in het percentage van de werkgeverslasten.

  • Wat verdient een leraar in het primair onderwijs?

    In deze salaristabellen vind je de actuele salarissen van leraren.

  • Wat zegt het vermogen van een school over zijn financiële situatie?

    Een misverstand is dat het ‘vermogen’ gewoon als spaarpot op een bankrekening staat. Met het vermogen worden ook goederen meegerekend zoals lesmaterialen, computers in de school en bureaus. Ook zullen schoolbesturen geld moeten reserveren om grotere toekomstige uitgaven te kunnen doen, bijvoorbeeld voor nieuwe lesmaterialen en ICT-investeringen. Hoeveel en waarvoor ze geld reserveren, stemmen schoolbesturen af met hun Raad van Toezicht. Daarbij staat voorop dat het geld goed besteed moet worden aan de ondersteuning van leerlingen. Sparen mag geen doel op zich zijn. Dat het vermogen van het primair onderwijs de afgelopen jaren is gestegen, betekent dus niet per definitie dat scholen rijk zijn. Juist omdát het per school verschilt waarvoor ze geld moeten reserveren, is het bepalen van rijkdom maatwerk op bestuursniveau, zo bleek al eerder uit onderzoek van de inspectie, Een groeiend vermogen roept wel het beeld op dat schoolbesturen rijk zijn. Dit onderstreept de noodzaak dat schoolbesturen beter uitleggen hoe hun financiële situatie is (Zie ook Hoe verantwoorden schoolbesturen zich over hun uitgaven?). Meer weten? Lees ook het artikel ‘Altijd weer die grote getallen. De financiën in het po toegelicht'.

  • Is schoolbekostiging een goed idee?

    In het huidige systeem worden schoolbesturen bekostigd. Tweede Kamerlid Paul van Meenen (D66) opperde dat het eigenlijk best een goed idee zou zijn om scholen te bekostigen in plaats van schoolbesturen. Van Meenen vindt dat geld voor onderwijs beter zal worden besteed als geld niet langer via hun schoolbesturen bij scholen terecht komt. Dat klopt niet, stelt de PO-Raad. De sectororganisatie checkte de uitspraken van Paul van Meenen. De uitkomsten zijn hier te lezen.

    In 2010 heeft André Rouvoet, de toenmalige minister van Onderwijs, overigens al eens gekeken naar de mogelijkheden van verdere decentralisatie. Zijn conclusie was toen dat ‘het weghalen van de exclusieve verantwoordelijkheid voor het financieel beleid bij het bevoegd gezag c.q. het schoolbestuur al gauw indruist tegen de vrijheid van stichting, richting en inrichting’. Ook wijst hij op het gevaar van een ‘onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling die kan leiden tot impasses in de besluitvorming binnen de rechtspersoon. Het bestuur kan niet langer worden aangesproken op de kwaliteit van het onderwijs.’

  • Wat is waar? Er is de afgelopen jaren meer geld per leerling naar het primair onderwijs gegaan of er is op bezuinigd?

    Er is de afgelopen jaren meer geld gegaan naar het primair onderwijs. Toch leidde dit niet tot meer ruimte in de begroting van schoolbesturen, sterker nog deze ruimte is de afgelopen jaren fors afgenomen. En wel om de volgende redenen:

    De extra investeringen (de plussen) zijn volledig opgegaan aan extra kosten voor nieuwe taken/verantwoordelijkheden. Denk in dit kader aan extra geld voor salaris leerkrachten en aanpak werkdruk. Dit extra geld heeft dus géén positief effect gehad op de begroting van schoolbesturen.

     Bron: beantwoording feitelijke vragen begroting 2018; tabel 4, p.15 en begroting 2019, pagina 25)

    Er is ook bezuinigd op het primair onderwijs, en deze minnen gingen niet gepaard met minder taken en komen daarmee ten laste van de basisbekostiging. Dit heeft een negatief effect op de begroting van schoolbesturen.

    Bron: beantwoording feitelijke vragen begroting 2018; tabel 3, p.15 en begroting 2019, p.25)

    Scholen hebben ook te maken met niet gecompenseerde kostenstijgingen. Dit heeft een negatief effect op de begroting van schoolbesturen.

    Bron: PO-Raad, o.b.v. rapporten ARK (2013) en Berenschot (2017)

    Scholen hebben ook te maken gekregen met extra eisen, taken en verantwoordelijkheden waar géén extra middelen voor gegeven zijn. Denk in dit kader aan: HR-beleid, financieel management, ICT, burgerschap, sociale veiligheid, AVG, (financiële) verantwoording, etc. Ook dit heeft een negatief effect op de begroting van schoolbesturen (deze kosten zijn niet gekapitaliseerd / niet meegenomen in onderstaand overzicht)

    Per saldo gaan de plussen volledig op aan extra kosten voor nieuwe taken/verantwoordelijkheden. De minnen zijn sinds Rutte I (2013) t/m begroting 2019 opgelopen tot ruim €1,0 mld./ ca. €700 per lln = ca. €150.000 per gemiddelde school (= excl. kosten van niet bekostigde extra taken)

  • Hoeveel bekostiging ontvangen schoolbesturen per leerling?

    Als je kijkt naar alle kosten op van het primair onderwijs op de begroting 2020 van het ministerie van OCW, (excl. apparaatskosten OCW), dan kom je uit op een bedrag van €7.800,- per leerling in 2020. In deze berekening zitten echter ook geldstromen die niet naar schoolbesturen gaan. Denk hierbij aan bekostiging Nederlands onderwijs in het buitenland, humanistisch vormingsonderwijs en de onderwijsachterstandsmiddelen die gemeenten ontvangen.

    De bekostiging die daadwerkelijk naar schoolbesturen gaat is in 2020 €7.400. Hier is echter ook de volledige bekostiging van samenwerkingsverbanden in het po, speciaal basisonderwijs en zware ondersteuning in het po en vo in verwerkt. Hier valt ook het vso onder, aangezien deze bekostigd wordt vanuit het primair onderwijs op de begroting van het ministerie van OCW. Zonder de ondersteuningsbekostiging komt het bedrag per leerling uit op circa €6.100 per leerling.

    Hier valt ook onder andere ook de volgende bijzondere bekostiging onder; kleine scholentoeslag, onderwijsachterstandsmiddelen, regelingen voor onderwijs aan asielzoekers en nieuwkomerskinderen. Een school van 220 leerlingen (gemiddelde schoolgrootte in Nederland) zonder dergelijke bijzondere bekostiging, ontvangt per schooljaar 2019/2020 circa € 5.450 per leerling. Dit gemiddelde bedrag per leerling is als gevolg van extra geld voor lerarensalarissen en de werkdrukmiddelen uit het Werkdrukakkoord ten opzichte van 2017/2018 behoorlijk gestegen. Dit bedrag was toen €4.959 per leerling.

    De cijfers zijn na te lezen in deze Cijfers OCW begroting 2020.

  • Hoe zien bekostiging en uitgaven er per basisschoolklas uit?

    Er doen diverse verkeerde berekeningen de ronde over de bekostiging en uitgaven van een gemiddelde klas op een reguliere basisschool. Veel gehoord is een bedrag van € 150.000 aan bekostiging, wat neer zou komen op € 6.700 per leerling. Zoals gezegd, is het verschil met de eerdere getallen te verklaren doordat in het totale bedrag ook ondersteuningsmiddelen voor leerlingen op speciale scholen worden meegeteld, net als het geld voor culturele instellingen en stichtingen. Een gemiddelde basisschool heeft met dat geld niets van doen.

    Een eerste onderzoek door de PO-Raad naar de bekostiging en kosten per klas bij een tiental willekeurige schoolbesturen laat zien dat een gemiddelde groep (23,1 leerlingen in 2017) circa € 125.000 aan bekostiging ontvangt. Verschillen tussen scholen worden veroorzaakt door bijv. de toekenning van onderwijsachterstandsmiddelen.

    Critici stellen dat 40 procent van de eerder genoemde € 150.000 per klas wordt besteed aan de loonkosten van de leerkracht, terwijl dit in 2004 nog 60 procent was. Zij gaan er echter vanuit dat per klas één voltijdswerknemer, ofwel 1 fte, in dienst van een school is. Het is echter onjuist om hiervan uit te gaan omdat het vrijwel altijd nodig is méér leraren in dienst te hebben in verband met vervanging bij ziekte, verlof of scholing. Ook zijn leraren nodig om andere dan lesgevende taken uit te voeren. Denk hierbij aan interne begeleiding, RT, ICT coördinatie, begeleiding van stagiairs en starters et cetera. Wanneer hier rekening mee wordt gehouden en deze kosten worden gerelateerd aan de werkelijke bekostiging, blijkt 60% (€ 75.000) nog steeds redelijk accuraat.

    Naast de uitgaven voor onderwijzend personeel zijn er kosten voor onderwijsondersteunend personeel en directie. De schoolleider, evt. bouwcoördinatoren, conciërge, administratief medewerker en mogelijk andere experts zijn nodig om de school “draaiend te houden” en dragen bij aan de onderwijskwaliteit en -ontwikkeling. Deze kosten schat de PO-Raad in op € 15.000 per klas. Ook moet jaarlijks worden geïnvesteerd in de ontwikkeling en professionalisering van alle medewerkers, gemiddeld € 7.000 per klas. De totale kosten voor personeel komen daarmee uit op zo’n € 97.000.

    Een gemiddelde klas heeft daarnaast ongeveer € 20.000 nodig voor materiële zaken. Denk hierbij aan het onderhoud van het schoolgebouw, schoonmaakkosten, de rekening voor gas/water/licht, de aanschaf van leermiddelen en lesmethoden, kosten voor inventaris, meubilair en (ICT) apparatuur, administratiekosten, medezeggenschap, abonnementen, toetsen en ICT infrastructuur. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze kosten aanzienlijk hoger zouden zijn als scholen meer financiële armslag zouden hebben. De huidige materiële bekostiging biedt nauwelijks ruimte voor adequate gebouwen en faciliteiten die het onderwijsproces optimaal ondersteunen.

    Van het totale lumpsumbedrag van € 125.000 per klas blijft nog € 8.000 over. Op een school met acht klassen resteert dan € 64.000 om te besteden aan alle taken die vanwege efficiency en/of expertise schooloverstijgend worden uitgevoerd. Denk hierbij o.a. aan bestuur en toezicht, kwaliteitszorg, financiële- en personeelsadministratie met de daarbij behorende controle en verantwoording, centraal inkoopbeleid, onderhoudsbeheer, informatiebeveiliging en privacy, arbo/bedrijfsgezondheidszorg, loopbaan begeleiding, de begeleiding van leraren in opleiding en starters.

    Hier kunt u de complete Berekening bekostiging en uitgaven per klas van de PO-Raad nalezen gebaseerd op macogegevens, per school kunnen de gegevens verschillen. Voor de berekeningen geldt ook dat ze een versimpelde weergave zijn van de nog veel complexere werkelijkheid.

  • Waar wordt het geld in het primair onderwijs aan uitgegeven?

    Zo’n 82 procent van de inkomsten besteden schoolbesturen aan personeel: aan salaris maar ook aan opleiding/scholing, aan pensioenpremies en aan eventuele uitkeringen voor ziekte of werkloosheid. Van overige 18 procent moeten de vaste lasten worden betaald: gas water en licht, en lesmaterialen, onderhoud aan schoolgebouwen…Alles wat nodig is om het onderwijs te faciliteren.

    Eens in de vijf jaar bekijkt een extern bureau in opdracht van het ministerie van OCW de vergoedingen voor de vaste lasten (of Materiële Instandhouding) en beoordeelt deze of de vergoeding voldoende is voor een gemiddelde school. Dit is wettelijk voorgeschreven. Om onduidelijke redenen is dit sinds 2004 niet meer gebeurd. Uit het laatste vijfjaarlijkse rapport van organisatieadviesbureau Berenschot bleek dat scholen jaarlijks €375 miljoen (35 procent) te weinig krijgen. Dat komt omdat de bekostiging nog gestoeld is op schoolborden met schoolkrijtjes terwijl veel scholen werken met digiborden en digitaal lesmateriaal. Daarom gebruikten scholen noodgedwongen een deel van de personele vergoeding om het tekort aan materiële vergoeding aan te vullen. Want hoe je het ook wendt of keert, de gas- en elektriciteitsrekening moet betaald worden.

  • Hoeveel geld gaat er naar het primair onderwijs?

    Het primair onderwijs wordt bekostigd door de overheid. In totaal is hiermee een bedrag van bijna €11 miljard gemoeid. Dat is een fors bedrag, maar het primair onderwijs is met circa 1,5 miljoen leerlingen, ongeveer 6800 scholen en 123.000 FTE personeelsleden dan ook de grootste onderwijssector. De wet van de grote getallen is er van kracht. Kleine percentages tellen dan ook snel op tot forse bedragen. Andersom geldt dat forse totaalbedragen per school of per leerling al snel weinig voorstellen. Om van betekenis te kunnen zijn, is in het primair onderwijs dus veel geld nodig.

  • In de Pictio Onderwijspodcast gaan de interviewers in gesprek met Reinier Goedhart, beleidsadviseur PO-Raad, over de Lumpsum-regeling, en de vernieuwing van deze regeling. Rene Zaal, hoofd bedrijfsvoering en controller van het Trinitascollege geeft vervolgens inzicht in hoe je als leerkracht en school die gelden kan verdelen om tot goed onderwijs te komen. 

Pagina's