Hoe wordt de compensatie voor gestegen arbeidskosten berekend?

De kabinetsbijdrage ter compensatie voor de ontwikkeling van de arbeidskosten in de collectieve sector, wordt vastgesteld aan de hand van de "referentiesystematiek". Het primair onderwijs valt ook onder de definitie van "collectieve sector". De referentiesystematiek vertaalt de ontwikkeling van arbeidskosten in de marktsector door naar de overheidsector. De marktsector is dus het referentiepunt: stijgen/dalen de arbeidskosten in de marktsector, dan stijgt/daalt de compensatie voor de ontwikkeling van de arbeidskosten in het PO. Op zich is dit een logisch systeem van indexering, aangezien de ontwikkeling van alle arbeidskosten worden meegenomen en compensatie niet afhankelijk is van factoren die de sector zelf kan beïnvloeden.

De referentiesystematiek is onder te verdelen in de onderstaande arbeidskosten:

  • Contractloonontwikkeling in de marktsector, zoals geraamd door het Centraal Plan Bureau (CPB in de Macro Economische Verkenning (MEV) en Centraal Economisch Plan (CEP).
  • Mutatie werkgeverslasten in de marktsector voor de werkgeverslasten pensioen en sociale zekerheid. Hieronder vallen:
  • Arbeidsongeschiktheid (WAO)
  • Zorgverzekeringswet (ZVW)
  • Pensioenen
  • Doorbetaling bij ziekte/ ziekteverzuim
  • Bijdrage kinderopvang

Het is van belang om te benadrukken dat de daadwerkelijke ontwikkeling van arbeidskosten in het primair onderwijs geen enkele rol speelt bij het vaststellen van de compensatie voor gestegen arbeidskosten. Is de ontwikkeling van de werkgeverslasten in het PO hoger dan de kabinetsbijdrage die ontvangen wordt, dan moeten schoolbesturen in het PO dat zelf oplossen. Andersom geldt ook: wordt er meer gecompenseerd dan dat de arbeidskosten daadwerkelijk zijn gestegen, dan mogen schoolbesturen dit geld houden.

Overigens houdt het kabinet te allen tijde het recht om de berekening op grond van de referentiesystematiek niet door te vertalen in een compensatie, als dit een volgens het kabinet "ongewenste" uitkomst oplevert. Van die mogelijkheid is de afgelopen jaren gebruik gemaakt om te kunnen bezuinigen op de overheidsuitgaven of om specifiek beleid te financieren. Zo zijn in 2010, 2011 en 2012 de contractlonen in de collectieve sector niet gestegen conform de referentiesystematiek. Ook voor 2013 is deze nullijn begroot (let wel: dit geldt dus niet voor de werkgeverslasten). Definitieve besluitvorming over de vaststelling van de compensatie voor gestegen arbeidskosten over 2013, vindt plaats in het voorjaarsoverleg (april –juni 2013).

De compensatie vindt plaats door middel van een verhoging van de personele bekostiging (GPL) en wordt toegekend op jaarbasis. De personele bekostiging wordt toegekend op schooljaarbasis. Omdat de compensatie over 2013 bij voorjaarsnota wordt vastgesteld (ca. juni), kan de bekostiging 2012/2013 veelal pas worden vastgesteld als het schooljaar als is afgelopen. De compensatie over 2013 heeft immers ook consequenties voor de bekostiging over de laatste 7 maanden van dat schooljaar (januari – juli 2013).

Voorbeeld: Toepassing referentiemodel 2012

Op basis van de referentiesystematiek was 1,75% ruimte beschikbaar voor vergoeding van de contractloonontwikkeling. Het kabinet heeft echter besloten om voor 2012 de lonen in de collectieve sector te bevriezen. Voor de werkgeverslasten heeft dit geen directe financiële consequenties.

Voor het jaar 2012 is de personele bekostiging verhoogd met 0,42% om gestegen werkgeverslasten te compenseren. De precieze opbouw van de verhoging wordt weergegeven in onderstaande tabel.

  • WAO -0,05%
  • ZVW 0,22%
  • Pensioenen 0,37%
  • doorbetaling bij ziekte, eigen risico WAO e.d. -0,24%
  • kinderopvang 0,12%
  • Totaal 0,42%

De compensatie voor gestegen pensioenpremies bedraagt 0,37%. Dit is een stuk minder dan de stijging van de pensioenpremies over 2012, die leidt tot een stijging van de loonkosten van circa 0,90%. In de compensatie zit ook een min van ruim 0,2% vanwege onder meer doorbetaling bij ziekte en het eigen risico WAO. Eén en ander is met name het gevolg van het feit dat het ziekteverzuim in de marktsector is gedaald. In het referentiemodel leidt deze ontwikkeling tot een verlaging van de kabinetsbijdrage. Dit terwijl de kosten van ziekteverzuim in de PO-sector juist zijn toegenomen (zie stijging premie Vervangingsfonds in 2012).

De ontwikkeling van de werkloosheidskosten, in het PO uitgekeerd via het Participatiefonds, wordt niet meegenomen in het referentiemodel.