In de voorziening jubilea zit inmiddels een dusdanig hoog bedrag dat het schoolbestuur voor het volgende kalenderjaar geen dotatie aan die voorziening wil doen. Mag het bestuur daarvan afzien?

Het treffen van een passende voorziening voor jubileumuitkeringen is wettelijk verplicht. Op de balans moet een voorziening worden opgenomen voor opgebouwde rechten van werknemers. Dit is vastgelegd in RJ 271.202 en RJ 271.203. De jubileumuitkering is er daar een van.

 

In de voorziening moet voldoende geld zitten om de te verwachten kosten/opgebouwde rechten te dekken. Wanneer het bedrag hoog genoeg is, dan kan ervoor worden gekozen om dat jaar geen dotatie te doen. Dat moet echter wel worden ondersteund door een berekening waaruit blijkt dat de huidige voorziening volstaat om aan de te verwachten toekomstige verplichtingen te voldoen.

Om de juiste hoogte van de voorziening te bepalen zijn verschillende berekeningen mogelijk. De PO-Raad heeft een gangbare berekening verwerkt tot een rekenmodel. Dat model is hier te downloaden.

Daarbij moet wel worden opgemerkt, dat een voorziening altijd een (met een berekening onderbouwde) inschatting betreft. Het schoolbestuur kan dus wat ruimer of krapper schatten, bijvoorbeeld door de te verwachten percentages leerkrachten dat hun jubileum zal halen positiever of negatiever in te schatten. Dat is toegestaan, zolang de wijzigingen in de inschatting redelijk kunnen worden onderbouwd. De redelijkheid van de onderbouwing van een voorziening wordt getoetst door de accountant bij de jaarlijkse controle van de jaarrekening.