Op welke wijze dien ik verzelfstandiging van dislocaties aan te vragen? Per wanneer gaat deze regeling in en aan welke voorwaarden moet worden voldaan?

Voor het verzelfstandigen van een dislocatie hoeft niet de gemeentelijke scholenplanprocedure te worden doorlopen. Het verzoek aan de minister om een dislocatie te verzelfstandigen dient aan een aantal vereisten te voldoen (artikel 75, eerste lid WPO):

  • Een prognose van het te verwachten aantal leerlingen op de te verzelfstandigen dislocatie (de nieuwe school);
  • De beschrijving van het voedingsgebied;
  • De aanduiding van de plaats in de gemeente waar het onderwijs gegeven moet worden en
  • De voorgesteld datum van ingang van de bekostiging.

Om na te gaan of de overblijvende school zal voldoen aan de opheffingsnorm zal daarnaast een prognose van het te verwachten aantal leerlingen op de overblijvende school onderdeel moeten uitmaken van het verzoek. In het nieuwe artikel 84a WPO is een bepaling opgenomen dat op basis van prognose aannemelijk moet worden gemaakt dat de overblijvende school gedurende een termijn van 15 jaar na ingang van de bekostiging van de nieuwe school, zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende opheffingsnorm. Het verzelfstandigen van de dislocatie of nevenvestiging mag de overblijvende school niet zakken onder de opheffingsnorm.

Artikel 84a WPO luidt als volgt:

Artikel 84a. Verzelfstandiging van een vestiging

Onze minister kan onder door hem te stellen voorwaarden een nevenvestiging, of een deel van een school of nevenvestiging dat zich op een andere locatie bevindt dan de plaats van vestiging van die school of nevenvestiging, als school voor bekostiging in aanmerking brengen. Een verzoek om een besluit als bedoeld in het eerste lid is met redenen omkleed en gaat vergezeld van:

  1. voor zover het betreft de nieuwe school, de gegevens, bedoeld in artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, derde lid, of de gegevens, bedoeld in artikel 76, tweede lid,
  2. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen op het overblijvende deel van de school met uitzondering van nevenvestigingen, of, indien van toepassing, op het overblijvende deel van de nevenvestiging, en
  3. een opgave van het aantal leerlingen dat op de teldatum voorafgaand aan het verzoek daadwerkelijk onderwijs volgde op het deel van de school waarop het verzoek betrekking heeft.

Bij de berekening van het aantal leerlingen dat de nieuwe school zal bezoeken, wordt artikel 78 niet toegepast, voor zover het plaatsruimte betreft op de nieuwe school.

Onze minister willigt het verzoek slechts in, indien:

  1. aannemelijk is dat de nieuwe school gedurende 15 jaar na aanvang van de bekostiging zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de stichtingsnorm, bedoeld in artikel 77, tweede lid, en
  2. aannemelijk is dat de bekostiging van het overblijvende deel van de school, met inachtneming van de artikelen 154 tot en met 156, gedurende ten minste 15 achtereenvolgende jaren kan worden voortgezet, of
  3. indien van toepassing aannemelijk is dat de bekostiging van het overblijvende deel van de nevenvestiging, met inachtneming van artikel 158, gedurende ten minste 15 achtereenvolgende jaren kan worden voortgezet.

Bij ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld voor het verstrekken van de prognose, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de prognose wordt ingediend

In het Koninklijk Besluit is bepaald dat deze wetswijziging ingaat per datum van de publicatie in het Staatsblad. Daarmee wordt het mogelijk voor scholen om zo snel mogelijk een aanvraag in te dienen om al per 1 augustus 2012 te kunnen verzelfstandigen.