Blog Anko van Hoepen - Dit kan het onderwijs leren van de toeslagenaffaire

Hij was een van de eersten die spijt betuigde. Lodewijk Asscher zat tegenover de commissie die onderzoekt hoe het kon gebeuren dat duizenden ouders onterecht kinderopvangtoeslag moesten terugbetalen, met alle onzekerheid, stress en financiële problemen van dien.

Asscher was destijds minister van Sociale Zaken. In drie jaar tijd, hield de commissie hem voor, waren er zes momenten dat hij had móeten zien dat burgers onterecht hard werden aangepakt. Achteraf begrijpt hij het zelf ook niet.

Vermorzeld

Asscher en zijn collega’s waren zo gefixeerd op het veranderen van het systeem, dat ze niet zagen dat er nú mensen in vermorzeld werden.

“Het stelsel moet anders”, klinkt het vaak als er ongerechtigheden geconstateerd worden. En soms móet het stelsel inderdaad anders. Ons onderwijsstelsel bijvoorbeeld. Het gesprek in onze sector gaat veel over hoe dat beter kan. Daar ben ik trots op. Tijdens onze ALV, vorige maand, voerden onze leden een gepassioneerd gesprek over de positie van de leraar. En vorige week hoorde ik de leden van onze expertgroep Onderwijskwaliteit zich buigen over “Wat gaat er goed en wat kan er beter”.

Mensen in het systeem

Nu zat Asscher tegenover die commissie, als verantwoordelijke voor wat er gebeurde met de mensen in zijn systeem. Een bestuurder krijgt immers de verantwoordelijkheid en het vertrouwen om zorg te dragen voor de mensen én het systeem. De toeslagenaffaire maakt ons duidelijk hoe lastig het is om oog voor beiden te houden. Terwijl dat toch de essentie van is van goed bestuur: zorgdragen… Als sector kozen we er tijdens onze ALV voor een nieuwe Code Goed Bestuur te gaan gebruiken die exact dat centraal stelt: "Wij zorgen samen voor goed onderwijs voor alle kinderen."

Die missie staat ook voor mijzelf centraal in de nieuwe termijn van vier jaar dat ik vicevoorzitter van de PO-Raad mag zijn. Een positie van waaruit ik pleit voor een beter onderwijssysteem, zoals je kunt lezen in onze verkiezingsinbreng. Groot onderhoud is nodig om ervoor te zorgen dat alle jonge kinderen, leerlingen en studenten de kans krijgen hun talenten optimaal te benutten en dat werken in het onderwijs aantrekkelijk blijft. Alle onderzoeken naar leerresultaten na de coronaperiode van thuisonderwijs (Cito, Oxford, het promotieonderzoek van Kimberley Lek) benadrukken het grote belang van een doorgaande lijn in het funderend onderwijs, de waarde van flexibiliteit: opstromen, afstromen…

Nú het verschil maken

Maar het streven naar een beter, rechtvaardiger stelsel ontslaat ons niet van de verplichting alles goed te doen voor de kinderen die nú in dít stelsel zitten. Om nu constant de ogen te richten op de groep die kwetsbaar is. Kansenongelijkheid aanpakken kan groots en meeslepend: hele wijken kun je verbouwen. In de tussentijd, zo constateerde de eerdergenoemde expertgroep, heb je je eigen cirkel van invloed. Waarin je nú het verschil kunt maken. In januari worden bijvoorbeeld de schooladviezen gegeven: het moment om juist die leerling die te lijden heeft gehad van onderwijs in coronatijd, het voordeel van de twijfel te geven. En voor het voortgezet onderwijs om ruimhartig toe te laten en kansrijk te plaatsen.