Een prachtige sector: primair onderwijs

Wat een prachtig vak: leerkracht. Wat een interessante omgeving: de school. Wat een inspiratiebron: de ontwikkeling van een kind. En wat een persoonlijke uitdaging al een leven lang: Goede voorwaarden creëren voor het kind zodat het zich naar vermogen kan ontwikkelen. Een simpele uitspraak die mij dag in dag uit al vele, vele jaren inspireert met nog steeds toenemende energie. Tegen de lezers van dit verhaal zeg ik: jullie boffen dat je gekozen hebt voor deze sector. De uitdagingen en de mogelijkheden zijn onbegrensd als je de ontwikkeling van het kind als uitgangspunt neemt.

Geen terugblik in dit “krijtje”, maar mijn visie op twee belangrijke stappen die gezet moeten worden om de voorwaarden voor het kind nog verder te verbeteren.

Allereerst: Het verbreden van schoolteams

Een leerkracht in het reguliere basisonderwijs kan veel, maar niet alles. De wereld komt bij je binnen in de groep: van stille, teruggetrokken kinderen tot druktemakers. Van beschadigde kinderen door een slechte hechting tot kinderen en ouders voor wie niets goed genoeg is. Te dikke kinderen, verwaarloosde, maar ook evenwichtige kinderen. Ze zitten allemaal bij jou op school. We praten over te grote groepen, maar is dat het echte probleem?

Natuurlijk is het werken met een groep van meer dan dertig kinderen een enorme klus. Ieder kind moet genoeg aandacht krijgen, moet zich gekend voelen, moet voelen dat het ertoe doet. Iedere basisschool van voldoende grootte (>200 leerlingen) zou in het team ook de beschikking moeten hebben over een aantal uren maatschappelijk werk, pedagogiek, verpleegkunde, vakleerkrachten bewegingsonderwijs en vanzelfsprekend een conciërge. Er is veelzijdige kennis nodig om een kind en de omgeving (ouders bijvoorbeeld) te begrijpen. Dat kan deels via gemeentelijke (jeugd)middelen, maar ook een nieuw kabinet zou zich hier sterk voor kunnen maken.

In het speciaal (basis)onderwijs kun je zelfs nog iets verder gaan. In mijn gemeente (Almere, red.) hebben wij bijvoorbeeld in het SBO jeugdzorg- en onderwijsmiddelen gebundeld. Vijf orthopedagogen en een gezinsbegeleider maken al twee jaar deel uit van een van de scholen. De zorg is een algemene voorziening geworden (zonder indicatie) en leerkrachten en jeugdzorgspecialisten leren van elkaar. Gevolg: bijna geen thuiszitters meer; meer terugplaatsingen naar regulier onderwijs en 50 procent minder vervelende situaties, incidenten.

Mijn tweede aanbeveling: Meer aandacht voor het jonge kind

Al vele jaren wordt er gesproken over integrale kindcentra. Een logisch gevolg van een visie. Een visie dat veel problemen voorkomen of beperkt kunnen worden als je er vroeg bij bent. Een doorlopende pedagogische aanpak en een heldere ontwikkelingslijn. Spelend leren onder leiding van mensen die goed opgeleid zijn. Geen verschoolsing van de opvang, maar deskundige begeleiding van het jonge, spelende kind. Samenwerking van kinderopvang, basisonderwijs onder één leiding. En ook hier met een veelzijdige samenstelling van het team. Met een mix van mbo, hbo en academisch geschoolde medewerkers. Te idealistisch? Niet meer gelukkig. Veel politieke partijen hebben deze ontwikkeling in meer of mindere mate in hun programma gezet voor de nieuwe kabinetsperiode. En als steun in de rug verscheen eind maart een op hun verzoek geschreven niet te negeren advies aan minister Asscher en staatssecretaris Dekker over de samenwerking tussen kinderopvang en het onderwijs.

Een derde aanbeveling over opleidingen laat ik graag aan een andere deskundige over: Dorothee van Kammen, directeur van de Thomas Moore Hogeschool in Rotterdam. Zij krijgt van mij “het krijtje”.

Rene Peeters is wethouder Jeugd, Onderwijs, WMO in Almere. Daarnaast is hij lid van de commissie Onderwijs bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en lid van de Regiegroep Kindcentra2020.