Hoofdinspecteur Arnold Jonk over de eigenaar van het onderwijs

Dit schooljaar laat de PO-Raad eens in de maand een gastblogger aan het woord om zijn of haar ervaringen in het primair onderwijs te delen. In deze editie van 'Geef het krijtje door' vertelt hoofdinspecteur Arnold Jonk hoe goed onderwijs wordt gemaakt en hoe het inspectietoezicht gaat veranderen.

Een jaar of twee geleden kreeg ik een mailtje van een schoolleider. Ze had een vraag. Dit jaar viel de planning van de tussentijdse toets wat ongelukkig samen met de voorjaarsvakantie en carnaval. Of het goed was dat de LVS-toetsen een weekje later werden afgenomen. Enigszins mismoedig keek ik uit mijn raam over de weilanden naast het inspectiekantoor. Waar te beginnen met mijn antwoord? Wat hebben wij als inspectie verkeerd gedaan om dit soort vragen over ons af te roepen? 

Als inspectie zijn we ervan overtuigd dat goed onderwijs alleen kan ontstaan wanneer de hele school, van leerkrachten tot bestuurder, zich eigenaar weet van het onderwijs. Dus: een gedeelde opvatting heeft van de vraag wat onder goed onderwijs verstaan wordt, weet of de school voldoet aan de eigen kwaliteitscriteria en zich daarover transparant verantwoordt naar de omgeving. Waarbij er natuurlijk ook consequenties aan worden verbonden wanneer de voorgenomen onderwijskwaliteit in de praktijk niet gerealiseerd wordt.

Wat hebben wij als inspectie verkeerd gedaan om dit soort vragen over ons af te roepen?

Alle vernieuwingen in ons toezicht moeten ook op die manier worden begrepen. En zo beoordelen we ook onze eigen stappen. Daagt het scholen uit de eigen visie te articuleren en in de praktijk te laten zien? Waardeert het besturen die zicht hebben op kwaliteit?

Dat is een hele klus voor onze organisatie. Het vereist maatwerk in onderzoeken, andere dialoogvoering en het vermogen met veel verschillende soorten kwaliteitsinformatie om te gaan. Al onze collega’s zijn daarom volop bezig met interne opleidingen, naast het werk waarmee u allen te maken heeft.

Maar het slagen van de vernieuwingen in ons toezicht hebben we maar ten dele in eigen hand. We hebben ook assertieve en zelfkritische leerkachten, schoolleiders en bestuurders nodig. Die niet naar ons kijken voor de vraag wat eigenlijk goed onderwijs is, maar dat heel goed zelf weten. Die zich daarover actief en breed verantwoorden, bijvoorbeeld via Scholenopdekaart. 

We zijn er nog niet. Naast enorm veel goede voorbeelden die wij dagelijks tegenkomen en die vaak ook de inspiratie voor onze vernieuwingen zijn, staan ook andere voorbeelden. Ik zie bijvoorbeeld veel scholen die weinig werk maken van hun profiel op Scholenopdekaart. Dat is jammer, want een zelfbewuste sector verantwoordt zich zelf over haar prestaties. Die wacht niet op dubieuze ranglijsten in de media. De website van de inspectie moet ook niet als een soort www.iens.nl voor het onderwijs worden gezien. Verantwoorden, moeten scholen toch echt zelf doen, op heldere en transparante wijze.

Een zelfbewuste sector verantwoordt zich zelf over haar prestaties

Als ik vertel over de doelstelling van het vernieuwde toezicht, krijg ik vaak als wedervraag: ‘Maar daar zijn veel scholen toch niet aan toe?’ Nee, dat klopt. Maar veel scholen en besturen ook wel, en die verdienen een inspectie die daaraan consequenties verbindt. En daarnaast denk ik op dat soort momenten altijd aan mijn favoriete citaat van Vaclac Havel. Hij zei: ,,Hoop is ergens aan werken omdat het goed is, niet omdat het kansrijk is.” En zo is het maar net.

Eigenaarschap van onderwijskwaliteit bij de sector zelf. Diversiteit van opvattingen over wat goed onderwijs eigenlijk is. Dat is de belofte van de vrijheid van onderwijs die ons onderwijsstelsel kenmerkt. Dan moeten we dus daaraan werken. Omdat het goed is.

Ik geef het krijtje door aan Leontine le Blanc, leescoördinator en docent op de SBO Michaelschool, die meer kan zeggen over wat eigenaarschap van schoolkwaliteit eigenlijk betekent. Dit soort scholen, dit soort leerkrachten, inspireren onze inspecteurs!