Onderwijs, een levend systeem

‘Onderwijs lijkt op bedrijfsleven’ kopte Trouw in de krant van zaterdag 28 februari jl. De krant baseert zich daarbij op een onderzoek van de AOB. Je houdt een half jaar de personeelsadvertenties in de gaten en de self-fulfilling prophecy blijkt wonderwel te kloppen. Dat spreekt voor zich als je mentale model in beton is gegoten: je zou dan alleen maar een bijdrage aan goed onderwijs kunnen geven als het krijt aan je vingers zit. Tussen de regels door lees je een waarheid over het basisonderwijs, die de indruk wekt dat de beeldvorming nog altijd bepaald wordt door de eigen ervaringen op de ‘lagere school’ van lang geleden.

Actief bestuur
Goed onderwijs anticipeert op de ontwikkelingen in de samenleving. Het onderwijs aan onze jongste leerlingen heeft de prachtige opdracht om een stevige basis te leggen onder de toekomst van deze kinderen. Dat vraagt om stevige investeringen en daar maken bestuurders in het basisonderwijs zich sterk voor. Deze bestuurders zijn regelmatig te vinden op hun scholen om met schoolleiders te spreken en zich een beeld te vormen van het onderwijs. Daarvoor gaan ze de klassen in en spreken met leraren. Zo stellen ze vast dat het binnenmilieu in veel lokalen slecht is en daardoor valt het brein van veel kinderen in de loop van de dag stil. En dat ligt niet aan die talloze geïnspireerde leraren. Bestuurders organiseren conferenties om vanuit een gezamenlijke visie een krachtig onderwijsbeleid te realiseren. Dat is wat de samenleving van het onderwijs mag verwachten. 

Het onderwijs als organisme
Ouders, leerlingen, leraren, schoolleiders en bestuurders hebben betekenis voor elkaar. Niet als raderen in een machine, maar als een levend systeem waarin je elkaar nodig hebt om tot betere resultaten te komen. Goede bestuurders creëren de optimale randvoorwaarden om schoolleiders en leraren hun werk in zelfverantwoordelijkheid optimaal te kunnen laten uitvoeren. Deze bestuurders weten allang dat ‘visies naar beneden uitrollen’ niet werkt. Dat is een vorm van machinedenken die de meeste bestuurders achter zich hebben gelaten. Wat mij betreft gaat het niet om de vraag of het onderwijs zich steeds meer in de richting van het bedrijfsleven evolueert. 

Veel belangrijker is de vraag hoe wij met alle betrokkenen in en rondom het onderwijs tot een gedeelde visie kunnen komen vanuit een innerlijke betrokkenheid, de kracht van veel werkers in het basisonderwijs. Maar goede intenties zijn niet genoeg. Het gaat om de effecten van onze inspanningen. Samenwerken aan duurzame kwaliteitsverbetering van het onderwijs in een cyclisch proces. En daarin heeft een bestuurder zijn eigen aandeel.

René van Harten, bestuur PO-Raad