Rinda den Besten: Menselijk kapitaal

Slechts een op de drie nieuwkomers in Nederland heeft na tien jaar een betaalde baan van minimaal dertig uur in de week. Foto van Rinda den BestenVelen van hen zijn langdurig afhankelijk van een bijstandsuitkering. Dat leidt tot verkwisting van menselijk kapitaal, las ik in het onlangs verschenen rapport ‘Geen tijd te verliezen’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

De oplossing ligt volgens dit instituut in een snellere asielprocedure en een aanpak waarin het vinden van een woning, inburgering, bij- of omscholing en arbeidsparticipatie gelijktijdig plaatsvinden en niet na elkaar. Dit lijkt mij een zinvolle aanbeveling, maar toch was ik ook teleurgesteld. In het hele rapport was het woord ‘kind’ of ‘school’ namelijk niet te bekennen. Terwijl onderwijs er toch om bekend staat een kind te kunnen ‘verzilveren’ tot menselijk kapitaal. Natuurlijk niet binnen een paar jaar, maar toch. En waarom wordt school niet genoemd als ‘werkplaats’ voor de inburgering van ouders? Wanneer ouders als vrijwilliger helpen op school, sla je drie vliegen in één klap: de leerling ervaart veiligheid en continuïteit, de school is goed geholpen en de ouder leert al werkende de taal en de cultuur. Een betere opstap naar betaald werk is amper denkbaar.

Het gaat er naar mijn mening niet alleen om dat nieuwkomers een waardevolle bijdrage leveren aan onze economie, maar ook dat zij persoonlijk hun potentieel ten volle kunnen benutten. Schnabels nu al bekritiseerde, maar o zo ware termen ‘waardig, aardig en vaardig’, gelden voor hen net zo goed. Ook hier kan school een belangrijke bijdrage aan leveren.

Waarin investeren?

Maar onderwijs aan nieuwkomers is inmiddels toch goed geregeld? denkt u nu misschien. Financieel is er inderdaad wat ruimte gekomen, daar ben ik heel blij mee. Al zijn er ook nog steeds gemeenten die gewoon erkennen dat onderwijs aan nieuwkomers geen prioriteit is. Maar wat mij nu bezighoudt is: Hoe voorkomen we dat we er binnenkort vijfduizend achterstandsleerlingen bij hebben? Want deze kinderen lopen stuk voor stuk een groot risico, als ze die achterstand niet al hebben. Welke keuzes moeten we maken -om in WRR-taal te spreken- om deze schat aan menselijk kapitaal niet te verkwisten?

De huidige verdeling van achterstandsmiddelen gaat op basis van opleidingsniveau van ouders. Bij veel huidige nieuwkomers zit het probleem echter meer in het feit dat ze jaren niet, of zelfs nog nooit naar school zijn geweest. Dat je ouders ooit een opleiding hebben genoten, verandert daar in tijden van oorlog niets aan. Dat die verdeelsleutel niet eerlijk is, roepen wij al jaren, maar wil nog niet echt doordringen in Den Haag. Het is dus maar de vraag of de achterstandsmiddelen de komende jaren bij de juiste kinderen terecht zullen komen.

In het debat rond voor- en vroegschoolse educatie (vve) lijken de deskundigen zelden zo verdeeld geweest over wat nu echt goed is voor kinderen met een dreigende achterstand. We moeten íets, want we weten dat ieder kind dat met een achterstand op school begint, deze amper meer inhaalt. Maar waarin moeten we precies investeren? Effecten van vve op cognitie zijn voorzichtig aangetoond, maar sociaal-emotioneel zetten de beproefde vve-programma’s geen zoden aan de dijk, zo meldt het Nederlands Jeugdinstituut. En alles valt of staat bij de kwaliteit van degene die voor de groep staat. Maar ook de groepsgrootte (maximaal vijftien) en het aantal dagdelen (minimaal drie) zijn van cruciaal belang voor het effect van vve.

Verder lezend begint het me steeds meer te duizelen. Kinderen van laagopgeleide ouders zijn over het algemeen het meest gebaat bij een plaats in een heterogene groep. Dan kunnen ze zich optrekken aan de rest. Maar we weten ook dat een overgangsjaar in een aparte taalklas voor kinderen met een taalachterstand juist wél goed werkt. Kinderen voelen zich dan veilig en niet gestigmatiseerd. Het effect van schakelklassen blijft overigens alleen overeind als je ook na het schakeljaar in de reguliere klas extra begeleiding blijft bieden aan de leerling.  

Dé nieuwkomer bestaat niet

Volgt u het nog? Ik denk dat geen enkele onderzoeker er ooit in zal slagen aan te tonen wat precies goed is voor de nieuwkomer. Laat staan via welk potje we hem of haar het beste tot zijn recht kunnen laten komen. Om de simpele reden dat dé nieuwkomer niet bestaat.

Zijn we het er met zijn allen over eens dat die dertig procent arbeidsparticipatie hoger kan? En dat het onderwijs en de voorschoolse voorzieningen hier een rol in kunnen spelen? Laten we er dan op vertrouwen dat de professionals die dagelijks met het kind omgaan, het beste weten hoe zij de kansen voor deze kinderen kunnen keren.

Dat betekent ook dat de bekostiging van het leerlingvervoer naar een taalklas geen spelbreker mag zijn. Het lijkt me dan ook niet meer dan redelijk dat gemeenten hier op hun beurt in tegemoet gekomen moeten worden.

En omdat voorkomen beter is dan genezen: Ik hoop dat overheid, gemeenten, scholen en voorschoolse voorzieningen op korte termijn de handen ineenslaan voor één peutervoorziening, waar de jongste nieuwkomertjes gewoon met alle andere kinderen in Nederland naar toe kunnen. Maar waar ook de mogelijkheid is om hen precies die speciale aandacht te geven die ze nodig hebben. Dat betaalt zich dubbel en dwars terug. Of zoals de Amerikaanse Derek Bok, voormalig president van Harvard sprak: ‘If you think education is expensive, try ignorance’.