Rinda den Besten: Schooladvies

De afgelopen week stonden de media er weer bol van: het schooladvies. Sinds vorig schooljaar is het advies van de basisschool bepalend voor toelating tot de middelbare school. Dat maakt nieuwe krachten los in de sector.

Net als vorig jaar klinken er geluiden dat basisscholen te vaak enkelvoudige adviezen geven. Nu is er op zich niets mis met een enkelvoudig advies, wanneer alles erop wijst dat dit niveau bij de leerling past. Wél is het een probleem als basisscholen zich afspraken laten opleggen door middelbare scholen dat zij alleen enkelvoudige adviezen mogen geven.

Iedere klas heeft immers leerlingen die een minder eenduidig beeld laten zien of waarbij je verwacht dat factoren als de thuissituatie of de aanwezigheid van een bepaalde aandoening de toekomst onzeker maken. Voor hen biedt het meervoudig advies uitkomst, want je wilt -zeker voor deze leerlingen- alle opties open houden.

Wat kinderen nodig hebben is de kans om zich te ontwikkelen: uitdaging op het niveau dat bij hen past. Daarvoor is het schooladvies ook bedoeld. Het schooladvies gaat enkel over het beginpunt voor het volgende leerjaar en zegt nog weinig over het uiteindelijke eindexamenniveau. We moeten juist af van die vroege selectie. Brede brugklassen daarentegen bieden de kans om de omgeving zich geleidelijk aan te laten passen aan de ontwikkeling van de leerling en niet andersom.

Het schooladvies is dus geen stempel voor het leven. Zeker nu er meer mogelijkheden komen om vakken op de middelbare school op hoger niveau te kunnen volgen.

Acht jaar observeren

Het is niet voor niets dat de eindtoets tegenwoordig later in het jaar wordt afgenomen. Deskundigen zijn het er met z’n allen over eens dat acht jaar observeren en toetsen van ontwikkeling, werkhouding en talent een betrouwbaarder advies oplevert over het best passende niveau dan één zwaarwegende eindtoets. Dat is de theorie.

Nu zitten we in de fase van implementatie en moet iedereen wennen aan de nieuwe praktijk. Dat gaat op veel plekken al erg goed, en op andere plekken kan de afstemming tussen primair en voortgezet onderwijs beter. Daar zie je bijvoorbeeld de onwenselijke reflex ontstaan om basisscholen hun advies op het huidige vo-aanbod te laten afstemmen. Of je ziet dat vo-scholen onvoldoende voorbereid zijn op adviezen die vlak voor de zomer naar aanleiding van een hogere uitslag op de eindtoets nog naar boven worden bijgesteld.

Gelukkig komt de politiek echter niet meteen met nieuwe wetten, maar neemt ze de tijd om eerst goed te evalueren. Dat geeft scholen intussen de kans om, op basis van gelijkwaardigheid, met elkaar in gesprek te gaan over die doorgaande lijn: Hoe gaan we samen zorgen dat iedere leerling een optimale start kan maken in het vo? Organiseren we standaard een warme overdracht? Hoe kun je als basisschool leren van wat er uiteindelijk terecht komt van je adviezen? Een mooi voorbeeld van samenwerking vind ik wanneer de basisschool en het voortgezet onderwijs bij twijfel gezamenlijk kijken naar geanonimiseerde leerlingdossiers om te bepalen wat een goed advies zou kunnen zijn.

Het is nu nog te vroeg om te zeggen of de nieuwe regels daadwerkelijk brengen wat we ervan verwachten: betrouwbaardere schooladviezen. Tot die tijd vind ik dat we moeten vertrouwen op de integriteit en professionaliteit van basisscholen. Scholen hebben immers geen enkel ander belang dan dat hun leerling, die zij dikwijls van kleuter tot puber onder hun hoede hebben gehad, goed zal uitvliegen en het ver zal schoppen.