Rinda den Besten: 'Voor een dubbeltje op de eerste rang, maar hoelang nog?'

Vergeleken met de onderwijsstelsels van de meest welvarende landen van de wereld presteert het Nederlandse onderwijs over de gehele linie goed. Zo bleek ook dit jaar weer uit het rapport Education at a Glance, een publicatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Ditzelfde rapport toont tegelijkertijd aan dat het Nederlandse primair onderwijs internationaal gezien ver onder het gemiddelde scoort als het gaat om de uitgaven aan onderwijs per leerling. Met een lage bekostiging weet onze sector dus een goede onderwijspositie te bemachtigen. Kortom; we zitten in Nederland voor een dubbeltje op de eerste rang. Maar we moeten ons afvragen hoelang deze sterke positie houdbaar is met een achterblijvende bekostiging.

Het kabinet stelt zich deze vraag klaarblijkelijk niet. Het claimde vorige week op zijn laatste Prinsjesdag dat het primair onderwijs er de komende tijd flink op vooruit gaat. Maar deze positieve boodschap blijkt helaas vooral gestoeld te zijn op gegoochel met cijfers. Een bijzonder kwalijke zaak.

Netto is er volgend jaar juist € 200 miljoen minder beschikbaar

Op de begroting voor 2017 staat nu voor 400 miljoen euro aan ‘lumpsum- en subsidietaakstelling’ en een ‘ramingsbijstelling’ ingeboekt. Dit betekent simpelweg dat er minder geld naar het onderwijs gaat. Tegelijkertijd stelt het kabinet 200 miljoen euro extra voor het onderwijs uit te trekken. Netto is er volgend jaar dus juist 200 miljoen euro minder beschikbaar.

Daarnaast lijkt het kabinet met het plan een tweede jaar taalonderwijs voor vluchtelingenkinderen te bekostigen een opdracht van de Tweede Kamer uit te voeren. Na lang lobbywerk, schaarde een meerderheid zich in juni achter een motie die dit regelt. Maar in totaal trekt het kabinet hiervoor slechts 15 miljoen euro uit, terwijl minstens 24 miljoen euro was toegezegd. En ook de belofte dat iedere leraar er volgend jaar 500 euro extra bij krijgt, is niet nieuw. Dit is het resultaat van eerder gemaakte afspraak door cao-partners. De noodzakelijke investeringen in de salariëring van leerkrachten in het primair onderwijs blijven dus wederom uit.

Tot slot geeft het kabinet aan dat het inzet op het tegengaan van kansenongelijkheid in het onderwijs. Zeer terecht, want na de rapporten van de Inspectie van het Onderwijs en het CBS, toont ook het OESO-rapport weer aan dat er een wereld te winnen is als het gaat om kansengelijkheid in het onderwijs voor leerlingen met ouders met een lage opleiding. Maar wie kansenongelijkheid echt wil wegwerken, moet ook daadwerkelijk investeren in het wegwerken van onderwijsachterstanden. Dat lukt niet met forse bezuinigingen op het budget voor onderwijsachterstanden.

We hebben een kabinet nodig met visie, in plaats van een kabinet dat bezuinigingen probeert te presenteren als investeringen

Gelukkig valt het niet alleen ons op dat het kabinet weigert te investeren in het onderwijs. Vertegenwoordigers van álle onderwijswerkgevers en bonden – verenigd in de Stichting van het Onderwijs – hebben de Kamer opgeroepen om te ageren tegen de onderwijsbezuinigingen. Een oproep die gehoord wordt: de Tweede Kamer zette afgelopen week een rode streep door een deel van de onderwijsbegroting.

Hopelijk leidt dit tot herbezinning bij het kabinet. Want we hebben een kabinet nodig met visie, in plaats van een kabinet dat bezuinigingen probeert te presenteren als investeringen. Een kabinet dat inziet dat een sterke samenleving gecreëerd wordt door - net als in andere onderwijs-gidslanden als Finland en Singapore - enorm te investeren in het onderwijs, te beginnen bij de jongste kinderen. Investeringen in bijvoorbeeld opleidingen en salariëring van leraren, zodat de beste leraren voor de klas komen te staan. En in ICT-voorzieningen, zodat innovatief onderwijs op maat gegeven kan worden. Want alleen met zulke investeringen kunnen we ook in de toekomst op de eerste rang blijven zitten.