Rinda den Besten: Worsteling

Dat het onderwijs niet statisch is, maar continu aan verandering onderhevig, mag duidelijk zijn. We willen onze kinderen opleiden voor de maatschappij voor morgen. En als de maatschappij van morgen niet meer gelijk is aan die van vandaag, is het niet meer dan logisch dat het onderwijs met de tijd moet meegaan.

In het land is daarom nu een discussie gaande over de kerndoelen van het onderwijs. Opnieuw wordt bekeken wat onze leerlingen als bagage nodig hebben om later, als volwassenen, goed te kunnen meedraaien in de samenleving. Dit keer door het Platform Schnabel, samen met vele mensen in en om het onderwijs heen. Na de zomervakantie komen zij met een eerste stand van zaken.

Van zwak naar excellent

Met deze dialoog gaande en recente veranderingen als de komst van Passend Onderwijs in het achterhoofd, is het niet gek dat tegelijkertijd ook een andere discussie plaatsvindt. Namelijk die over het toezicht door de Inspectie van het Onderwijs. De komende jaren is het toezicht van de Inspectie dan ook ‘in transitie’, zoals dat wordt genoemd. Ze wil op een andere manier en gedifferentieerd toezicht gaan houden. Ze kijkt dan breder naar de school.  Naast de oordelen ‘zeer zwak’ en ‘zwak’ kan een school ook het predicaat ‘voldoende’, ‘goed’ of ‘excellent’ krijgen. Daarbij maakt ze gebruik van een bredere set van indicatoren, die niet zozeer cognitieve resultaten, maar bijvoorbeeld ook sociale veiligheid centraal stellen. Op dit moment vinden er in het hele land pilots plaats die toetsen hoe deze plannen in de praktijk uitwerken en belangrijker nog, of ze werken.

Dat het toezicht moet veranderen, daar zijn wij het met zijn allen wel over eens. Want hoe goed meet je de kwaliteit van onderwijs nou echt als het onderwijs verandert en je standaarden van vroeger gebruikt?

In een eerste reactie (maart 2014) zeiden we dat we het goed vonden dat de Inspectie breder gaat kijken dan alleen taal- en rekenprestaties, maar maakten we bezwaar tegen het verhogen van de normen voor basiskwaliteit. Het kijken naar meer zaken dan alleen opbrengsten taal en rekenen moet in stimulerende zin gebeuren, en niet als onderdeel van de beoordeling. Er dient een duidelijk onderscheid te zijn tussen de oordelende en stimulerende taak van de Inspectie.

De grote vraag is dan ook of de Inspectie de aangewezen instantie is om te bepalen of een school goed of excellent is. Zou ze niet enkel en alleen moeten bepalen of scholen al dan niet aan de basiskwaliteit voldoen en de rest aan een andere instantie (of bijvoorbeeld de sector zelf) moeten overlaten?

Eenheidsworst?

Ik vind het een belangrijke, interessante, maar ook ingewikkelde discussie. Maar eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik nog niet goed weet wat ik van deze ontwikkelingen vind. Ja, dat er naar meer dan alleen naar taal en rekenen wordt gekeken, vind ik een goede zaak. Onderwijs ís immers zoveel meer. Maar kan het gedifferentieerde toezicht ook op een andere manier worden geregeld? Is de Inspectie wel rolvast als ze zich hiermee gaat bezighouden of wordt ze dan een soort onderwijsadviesbureau?

Er zijn principiële tegenstanders die stellen dat de Inspectie er simpelweg niet voor is om waardeoordelen uit te spreken. Zij vrezen bovendien dat de Inspectie ook gaat bepalen wat de route is naar goed of excellent onderwijs. Het risico bestaat dat dat van scholen een eenheidsworst maakt, zo waarschuwde ook Ferdinand Mertens, expert op het gebied van toezicht, onlangs bij een bijeenkomst van onze Maatschappelijke Adviesraad.

Aan de andere kant horen we van de scholen die meedoen aan de pilots enthousiaste geluiden. Zij vinden het een verademing dat ze breder en meer vanuit de leerling bezien worden beoordeeld. Zij loven het kwalitatieve en goede gesprek dat men heeft met de Inspecteurs. Scores op toetsen zijn niet leidend. Er wordt meer gekeken naar de mate waarin de school zijn eigen kwaliteit in beeld heeft, naar de pedagogisch didactische kwaliteit van een school en of die een veilige omgeving biedt voor de kinderen. 

Past deze beweging niet perfect bij de visie en inzet van de PO-Raad? We voeren proactief beleid door te investeren in de kwaliteit van het bestuur. Kernwaarden hierbij zijn het werken met een cyclus van kwaliteitsbeleid, het organiseren van intern toezicht, horizontale benchmarking via visitaties en audits,  integraal (kwaliteit, HR, financieel) meerjarig beleid bevorderen, benchmarken  faciliteren met Vensters PO. Door zelf het huis op orde te hebben, kan de Onderwijsinspectie zelfs terugtreden. Gaan we dat hiermee bereiken?

Toezicht van de toekomst

En hoe gaan we straks überhaupt om met het gevolg van breder toezicht? Namelijk dat weer meer scholen dan nu als zwak worden betiteld. Het gaat zo goed, er zijn nog maar zo weinig zwakke scholen en dat is goed nieuws. Maar wie breder naar het onderwijs gaat kijken, zal ook meer zien. Er zullen meer positieve dingen opvallen, maar ook meer mankementen. Ook hier willen we graag het gesprek over voeren. Let wel: Als het nieuwe toezicht tot meer zwakke scholen leidt, is dat geen reden om het niet in te voeren. Onderwijs kan immers altijd beter. Maar de vraag is wel: Krijgen we dat goed uitgelegd?

We zijn er – kortom – nog niet uit. We hebben nog veel vragen. Dat geeft niets, want eerst gaan we de discussie aan. Met onze leden, met de Inspectie, de politiek, diverse experts, met collega’s. Er zijn al diverse ledenbijeenkomsten geweest, en op 9 april organiseren we met de VO-raad en AVS, Onderwijspoort, over het toezicht van de toekomst. U bent van harte welkom om daarbij te zijn.

Er is nog genoeg te bespreken. Het verhaal is nog niet klaar. Maar als het gaat om onderwijs en de toekomst van onze leerlingen gaan we niet over één nacht ijs.

Rinda den Besten