Secretaris-generaal Hans van der Vlist blikt terug op vijf jaar OCW

Dit schooljaar laat de PO-Raad eens in de maand een gastblogger aan het woord om zijn of haar ervaringen in het primair onderwijs te delen. In deze eerste editie van 'Geef het krijtje door' blikt scheidend secretaris-generaal van het ministerie van Onderwijs Hans van der Vlist terug op de afgelopen vijf jaar. 

De scholen zijn weer begonnen. Veel publicitaire aandacht voor de spanningen in de Turkse gemeenschap. Het kabinet presenteert de (uitgelekte) plannen voor het komende politieke seizoen met het vizier op de verkiezingen op 15 maart 2017. Op het ministerie van OCW wordt samen met mensen uit de praktijk hard gewerkt aan lopende plannen zoals het lerarenregister of het curriculum voor de toekomst onder de titel “onderwijs 2032”. En werken aan “gelijke kansen” staat terecht hoog op de politieke agenda na een stevig signaal van de Onderwijsinspectie. Ook bereiden we ons op het ministerie voor op een nieuwe kabinetsperiode.

Beleid en praktijk dichter bij elkaar brengen is een taai proces

Als hoogste ambtenaar van OCW blik ik terug op vijf jaar ervaring met de onderwijswereld.  In deze rol heb ik me ervoor ingezet beleid en praktijk dichter bij elkaar te brengen. Dat is een taai proces. Toch is het nodig om elkaars werelden goed te begrijpen om beleid te kunnen maken dat de praktijk in de klas kan verbeteren. Daar heb ik zelf aan gewerkt door vele werkbezoeken aan scholen. Ik heb de medewerkers van OCW gestimuleerd om stages te lopen op scholen. We hebben beleidsprocessen ontworpen waarbij leraren, schoolleiders en besturen inbreng kunnen leveren. Ook zijn er leraar-ambtenaren aangesteld die in deeltijd bij OCW werken en ook elke week voor de klas staan. Waar ik door geraakt ben is een bedankmail van een medewerker die bij mijn afscheid als SG het volgende schreef: ’De beweging van meer “Van buiten naar binnen” is niet meer terug te draaien. OCW had dat nodig.’ Ik hoop van harte dat de beweging om praktijkgericht beleid te maken wordt voortgezet. Daar kan ook de PO-Raad bij helpen.

De beweging van meer 'van buiten naar binnen' is niet meer terug te draaien. OCW had dat nodig.

De kwaliteit van de leraar is het allerbelangrijkst voor goed onderwijs. Dus is het belangrijk dat het beroep van leraar een hogere maatschappelijke status krijgt. Het is dus goed dat de minister van OCW hogere eisen stelt aan de PABO-opleiding, dat er goed personeelsbeleid wordt gevoerd door schoolleiders en besturen en dat er meer mannen voor de klas komen in het primair onderwijs. Sowieso meer diversiteit. Het is ook goed dat de staatssecretaris heeft gestimuleerd dat er een lerarenregister komt, waarbij de beroepsgroep zelf werkt aan een kwaliteitsstandaard en dat leraren zich blijven ontwikkelen tijdens hun loopbaan. Daar ligt nog een grote uitdaging voor de komende jaren! Het verbeteren van de overgang tussen po en vo is ook zo’n opgave. Deze ambities kunnen en moeten elkaar gaan versterken.

De praktijk van het onderwijs is kleurrijk. Ik heb dat in die vijf jaren op vele plekken mogen ervaren. Twee voorbeelden. Groot respect heb ik voor de creativiteit, het enthousiasme en betrokkenheid van het team van de obs De Kameleon in de wijk Carnisse in Rotterdam die veel nieuwkomers opvangen met beperkte middelen. Recent heb ik ervaren hoe het primair onderwijs in Tilburg met het samenwerkingsverband en ook met de gemeente en ouders goed samenwerkt om voor elk kind het beste onderwijs te verzorgen. Petje af voor deze en al die andere goede praktijken.

De Inspectie van het onderwijs heeft al ruim 200 jaar de taak om toezicht te houden op de praktijk van het onderwijs. Onder de bezielende leiding van Monique Vogelzang en Arnold Jonk is de Inspectie met een grote vernieuwingsslag bezig, waarbij de waardering van kwaliteitsbeleid van scholen en besturen voorop staat. Ik geef het krijtje door aan Arnold Jonk, die meer kan zeggen over de nieuwe werkwijze van de Inspectie.