Simone Walvisch: Bestuurskracht

Toen duidelijk werd dat de grote Amsterdamse onderwijsorganisatie Amarantis naar de afgrond gleed, voelden wij het al aankomen: Dit gaat gevolgen hebben voor alle onderwijssectoren. Bestuurlijk Nederland is toch al niet populair bij de politiek en de media. Als dan een onderwijsinstelling zulke financiële problemen krijgt door toedoen van het management, is dat een zwarte dag voor het gehele onderwijs.

Dit incident is niet het enige dat de schijnwerper heeft gezet op de vraag of bestuur en toezicht in het publieke domein goed zijn geregeld. Denk bijvoorbeeld ook aan woningcorporatie Vestia. Op zichzelf vind ik het dan ook niet raar dat de politiek dit vraagstuk op de agenda wil zetten.

Maar welke benadering wordt er dan gekozen? Ik was blij met de genuanceerde, inhoudelijke benadering van de Onderwijsraad in haar advies ‘Publieke belangen dienen’.  De Onderwijsraad wil geen stelselwijziging, maar ziet een grote rol weggelegd voor de sectoren zelf.

Inmiddels hebben ook de beide bewindslieden van OCW hun conclusies getrokken uit dit bestuurlijk falen. Afgelopen zaterdag hebben ze een brief naar de Tweede Kamer gestuurd met hun voorstellen om meer ‘checks and balances’ in het systeem in te bouwen, meer eisen aan toezicht en controle.

De helft van de brief onderschrijf ik: de noodzaak van versterking van de bestuurskracht in het primair onderwijs. De PO-Raad heeft dit onderwerp altijd erg serieus genomen, zoals we hebben laten zien met het ontwikkelen en implementeren van de Code Goed Bestuur PO. We zijn trots op die Code. En ook op het feit dat de leden hebben aangegeven hun eigen professionalisering belangrijk te vinden. Net als een sterke sector PO waarin zij bereid zijn elkaar aan te spreken op handhaving van de Code.

Sindsdien hebben we een systeem van onderlinge visitaties ontwikkeld. De schoolbesturen die daaraan deelnamen, waren enthousiast over wat ze van elkaar leerden. De visitaties lijken ons heel goed voor de onderlinge binding in onze sector en ook voor de bevordering van het ‘moreel kompas’ van de schoolbestuurders. Zo wordt een basis gevormd voor een open klimaat in onze sector waarin besturen elkaar werkelijk kúnnen aanspreken.

Er is een grote bereidheid bij onze achterban om te leren. Dat blijkt uit de enorme belangstelling voor de conferentie  voor bestuurders en toezichthouders van afgelopen week. De vijf sprekers die ik daar heb gehoord, hadden allemaal de boodschap: Toezichthouders, neem je verantwoordelijkheid en pak je rol.

De andere helft van de brief, waar ik niet achter sta, legt bij de voorgestelde maatregelen de nadruk op sancties en ingrijpen. En scheert alle bestuurders uit alle onderwijssectoren over één kam. Eénpitters met een ‘omzet’ van één miljoen euro moeten aan dezelfde accountantsvoorschriften voldoen als universiteiten met zo’n 400 miljoen euro omzet (schatting). Vergelijk het bedrijfsleven:  Daar valt een MKB-bedrijfje tot 8 miljoen euro onder andere regels voor het Jaarverslag.

Enerzijds wordt van schoolbestuurders professioneel handelen verwacht, anderzijds hebben kleine schoolbesturen geen middelen om de noodzakelijke ondersteuning en expertise voor het vervullen van hun bestuurlijke taken te faciliteren (‘overhead’).  Als  twee kleinere schoolbesturen een besturenfusie willen om hun bestuurlijke kracht te vergroten (en de overhead te delen), komen ze niet door de fusietoets. Dat is geen consistent beleid.

Er komt een gesprek in de Tweede Kamer over dit onderwerp. Voor de politiek lijkt het ’t gemakkelijkst om te roepen om ingrijpen en forse maatregelen. Toch gaan wij bij de politici onder de aandacht brengen dat voor het primair onderwijs een  sectorspecifieke benadering op z’n plaats is.