Simone Walvisch: De enige oplossing voor de krimp is een regionale aanpak

Het advies van de Onderwijsraad om de opheffingsnorm van scholen te verhogen tot honderd leerlingen, heeft in de media geleid tot vurige pleidooien voor het behoud van de kleine scholen. 

Het valt me op dat zelfs politieke partijen dat standpunt al hebben ingenomen, terwijl de staatssecretaris nog broedt op oplossingen om scholen te helpen omgaan met de krimp die hen parten speelt. Dat is ongebruikelijk. Meestal vragen de Kamerleden eerst om een regeringsreactie op een advies van de Onderwijsraad, voordat zij in reactie daarop hun standpunt bepalen.

Zelfs coalitiepartij PvdA roert zich al. In NRC Handelsblad wordt de kleine school van het Zeeuwse plaatsje Kats tot voorbeeld gemaakt. PvdA-voorzitter Hans Spekman, Kamerlid Loes Ypma en het Kats’ PvdA-lid Jan Schuurman stelden vorige week in een opinieartikel dat kleine scholen moeten worden gekoesterd. Deze sluiten omdat de kwaliteit onder druk staat, hoeft niet, zeggen ze. Doe dan iets aan de kwaliteit.

Goede kwaliteit 

Het is absoluut waar: Ook kleine scholen kunnen van goede kwaliteit zijn. Er zijn er genoeg die dat bewijzen. Al jaren, want kleine scholen kennen we al sinds mensenheugenis. Niet die kleine scholen zijn dan ook het probleem, maar snel krimpende kleine scholen. De onderwijsinspectie signaleert ook in zijn laatste Onderwijsverslag dat met name kleine scholen die snel krimpen, kwetsbaar zijn wat de onderwijskwaliteit betreft.

Bedenk dat leerlingenkrimp in een school niet gelijkmatig gaat. De opbouw van het leerlingenbestand is niet evenredig: Veel scholen hebben grote groepen in de bovenbouw en hele kleine in de onderbouw (een omgekeerde piramide). Aan het einde van het schooljaar vertrekken de grotere groepen 8 naar het voortgezet onderwijs. Tegelijkertijd melden zich veel minder kinderen aan voor groep 1, waardoor de onderbouw bestaat uit kleine klassen.

De scholen moeten hun onderwijs anders gaan organiseren en dat doen de meeste ook. Er zijn heel veel kleine scholen die het onderwijs anders organiseren (bv. de scholen die met SlimFit werken). Het werken met verschillende leeftijden en leerniveaus tegelijkertijd stelt hele ogen eisen aan de bekwaamheid en de inzet van de leraren: leraren op kleine scholen ervaren een veel grotere werkdruk. En met name de overgangsperiode waarin leraren moeten leren omgaan met zulke enorm heterogene groepen, is voor de scholen-in-ontwikkeling een kwetsbare periode.

Wat betreft de financiële consequenties: bij snelle krimp ontstaat bijvoorbeeld leegstand in de scholen. Veel snel krimpende scholen kunnen het hoofd alleen boven water houden, doordat zij binnen een groter schoolbestuur financieel gecompenseerd worden.

De schoolbesturen in de regio zijn aan zet

Ik vind het jammer dat de discussie niet gaat over de knelpunten die ontstaan bij krimp, maar zich verengt tot de opheffingsnorm die de Onderwijsraad heeft genoemd. Het lijkt alleen te gaan over wel / niet sluiten van scholen.  

Beter is met elkaar te bespreken hoe we een rijk, divers en toegankelijk onderwijs aan onze kinderen kunnen bieden. Een onderwijsaanbod dat nu en op de langere termijn kwaliteit garandeert. Daarbij is niets doen geen optie. Niets doen leidt tot een koude sanering van de sector, omdat de kleine scholen steeds kleiner worden en zullen omvallen.

Wat mij betreft is de sector primair onderwijs aan zet, dat wil zeggen de gezamenlijke schoolbesturen in de regio. In heel veel regio’s is dat gesprek al gaande. Het doel is te bekijken hoe het totale onderwijsaanbod in de regio er uit kan zien. We kunnen scholen juist behouden door nauwe samenwerking met elkaar. En omdat de bevolkingsdichtheid, de scholendichtheid en de krimp regionaal verschillend zijn, zullen ook de oplossingen per regio anders zijn. Ook de Onderwijsraad pleit voor regionale oplossingen; ze hebben het over regionale aanpassingsplannen. En er zijn vele goede voorbeelden hoe samenwerking in de regio (dus ook de samenwerking met provincie en gemeentes) leidt tot nieuwe mogelijkheden, zoals de integrale kindcentra in Maastricht en de provincie Groningen.

De vraag is dan: wat hebben de schoolbesturen nodig om samenwerking mogelijk te maken?

Wet-en regelgeving belemmert

Nu belemmert wet- en regelgeving de samenwerking tussen scholen of fusie van scholen, terwijl oplossingen soms echt voor de hand liggen. Denk aan de twee kleine scholen in één schoolgebouw die nog niet eens samen de gymnastieklessen mogen verzorgen.

De fusietoets is de belangrijkste belemmering. De regelgeving let hier op het ‘marktaandeel’ van een schoolbestuur. Dat is echte nonsens in een sector waar de keuzevrijheid van ouders centraal staat, maar met name de keuze van een school! Ouders weten vaak niet eens van welk schoolbestuur een school deel uitmaakt.

Ik durf de stelling aan dat de fusietoets, die de grootschaligheid op bestuurlijk niveau wil tegengaan, belemmerend is voor een divers onderwijsaanbod op schoolniveau op de langere termijn. Laat onze schoolbesturen met elkaar de diversiteit garanderen!

De regionale aanpak staat wat ons betreft voorop. De vraag is of een hogere opheffingsnorm hier  bedoeld is als een stok achter de deur. Maar dan is een opheffingsnorm van 100 heel erg hoog, gezien onze sector. Dat leidt tot het verkeerde gesprek. Bovendien moeten er ook altijd beargumenteerde uitzonderingen mogelijk zijn. Tegelijkertijd is een stok achter de deur niet genoeg. We verwachten van OCW dan ook dat er deuren worden geopend door het afschaffen van belemmerende wet- en regelgeving.

PO-Raad organiseert ledenbijeenkomsten 

De komende week gaan we hierover als PO-Raad met onze leden praten op zes regionale bijeenkomsten. We hebben de profielorganisaties uitgenodigd dit met ons samen te doen.

We gaan met schoolbesturen op zoek naar oplossingen die we de staatssecretaris en de Tweede Kamer kunnen aandragen. Oplossingen die de regio’s de ruimte bieden om krimp op hun eigen manier aan te pakken.