Simone Walvisch: Klassengrootte en werkdruk

De Tweede Kamer en staatssecretaris Sander Dekker waren vorige week duidelijk: Er komen geen landelijke normen voor de klassengrootte. Ze bespraken de oproep van de vakbond ‘Leraren in Actie’. Die pleitte voor een klas van maximaal 28 leerlingen volgend schooljaar. Na drie jaar zou de omvang maximaal 24 mogen zijn. Het ging Leraren in Actie zowel om het voortgezet als om het primair onderwijs. Ze hadden dit onderwerp via een burgerinitiatief (een petitie tegen grote klassen) op de politieke agenda gekregen.

De PO-Raad vindt dat je niet van bovenaf normen voor een maximale klassengrootte kunt opleggen. Over de klassenindeling kan alleen op schoolniveau worden besloten. De leerlingen zijn in een school niet altijd keurig evenwichtig over de verschillende leerjaren verdeeld. Denk aan de scholen die met krimp te maken hebben: daar zijn de bovenbouwklassen vaak groot en is de instroom in de onderbouw gering. Ook kiezen scholen zelf hoe ze hun onderwijs het beste voor hun leerlingen kunnen inrichten. Soms hebben leerlingen meer aan een grotere groep met ondersteuning van een onderwijsassistent, of kiezen scholen voor iets grotere groepen om vakleerkrachten gymnastiek of muziek te kunnen aannemen. Een school moet de inzet van leraren kunnen afstemmen op de leerlingen die zij in huis heeft, of op het eigen onderwijsconcept.

Werkdruk
Daarmee is niet gezegd dat wij voorstander zijn van grote klassen. Integendeel. Leerlingen zijn soms gebaat bij kleinere groepen. Bovendien is de werkdruk hoger bij grotere klassen. Dat weet ik uit eigen ervaring als lerares in het voortgezet onderwijs: Het was al een groot verschil of er 25 leerlingen in het lokaal zaten of 28, laat staan 30. Nu had ik de pech dat bij mijn vak, Nederlands, de klassen altijd groot zijn, omdat dat in het voortgezet onderwijs een verplicht vak is. ,,Had je maar een echt vak moeten leren”, zeiden mijn collega’s dan gekscherend.

Klassengrootte en werkdruk voor leraren – het zijn twee kanten van de medaille. De PO-Raad vindt dat de werkdruk een gespreksonderwerp moet zijn tussen schoolleiders en leraren in de teams.  Daarvoor willen we ruimte maken in de CAO PO. Geen ‘one size fits all’, maar maatwerk per team en per persoon. Het is om die reden dat we in de onderhandelingen voor een nieuwe CAO PO pleiten voor meer flexibiliteit in de verdeling van de taken binnen een team. Een leerkracht die een grotere of een moeilijke klas lesgeeft, zou bijvoorbeeld meer tijd kunnen krijgen om lessen voor- en na te bereiden. En een startende leraar zou minder andere taken kunnen krijgen naast het lesgeven, om zo in het beroep te groeien. Het onderling bespreekbaar maken van werkdruk is de eerste stap; het zoeken naar oplossingen die bij de persoon passen, is de volgende.

We hebben deze gedachte voorgelegd aan mensen in het veld; zowel schoolleiders als leraren zien het als mogelijk en wenselijk om deze ruimte voor onderling overleg te krijgen. Dit overleg in het team is deel van de professionele dialoog.

ICT en ondersteuning
De werkdruk van leraren is een belangrijk probeem dat vraagt om oplossingen. Naast de onderlinge verdeling van taken in de teams zijn er wellicht nog andere manieren om de scholen te ondersteunen bij het werk. Ik denk dat ICT-gebruik ook veel mogelijkheden kan bieden. De PO-Raad draagt bij aan het Doorbraakproject van de ministeries van EZ en OCW. Daarin wordt nagedacht hoe voorwaarden kunnen worden gecreëerd voor het gebruik van digitale leermiddelen in de klas. Waar het voor leraren een opgave is om te differentiëren in de klas, kunnen tablets individuele leertrajecten ondersteunen. Zo kunnen leerlingen die meer uitdaging nodig hebben, op hun eigen niveau en in hun eigen tempo aan de gang zijn.  

De oproep van de vele ondertekenaars van de petitie van Leraren in Actie nemen we serieus. Laten we met elkaar creatieve oplossingen zoeken die recht doen aan het complexe beroep van leraar.

Simone Walvisch