Simone Walvisch: Krijt op het jasje

We komen veel onterechte beelden tegen over schoolbestuurders in het primair onderwijs. Beelden gaan altijd een eigen leven leiden, dus ze zijn moeilijk te bestrijden. Toch wil ik op een aantal ingaan, in de hoop dat ik wat nuance kan aanbrengen. Eerlijk gezegd ben ik er steeds weer door verrast wanneer op basis van deze beelden snelle conclusies getrokken worden in de media, en soms zelfs door politici.

Neem het beeld dat er het afgelopen jaar veel éxtra geld naar het primair onderwijs is gegaan en dat de bestuurders dat geld op de plank hebben laten liggen. Extra geld zou toch tot zichtbare veranderingen moeten leiden? Kleinere klassen misschien, of meer werkgelegenheid? De nuance: In het onderwijs stegen de kosten jarenlang sneller dan de bekostiging. Wij noemden dat ‘stille bezuinigingen’. Het geld dat er uiteindelijk bij kwam (en niet voor extra taken was bestemd), compenseert voor een deel  het gat dat was ontstaan. Ja, er kwam gelukkig geld bij. Dat was bijzonder, gezien de bezuinigingen in andere overheidssectoren. Maar éxtra geld? Niet echt.

Waar zijn al die managers?

Dan het beeld van duurbetaalde schoolbestuurders die er luxe kantoren en overdreven schoolgebouwen op nahouden waardoor het geld niet in de klas terecht zou komen. Mis. In het primair onderwijs zijn de bestuurders überhaupt nog geen vastgoedbeheerders, want de scholenbouw valt nog onder de gemeenten. En wat betreft de beloning van de bestuurders: Het plafond voor het primair onderwijs is het laagst van allemaal – en daar zitten de meeste bestuurders nog onder. De vraag is of er wel voldoende zicht is op de complexiteit van het werk van de bestuurders in het po. Bovendien, wij zouden graag ook bestuurders uit andere onderwijs- en maatschappelijke sectoren trekken, een opener sector zijn. Maar daar ligt een belemmering: Díe bestuurders die vanuit een andere sector voor het primair onderwijs kiezen (en die zijn er), gaan er behoorlijk in salaris op achteruit.

Daarbij is de overhead in het primair onderwijs ook nog eens extreem laag. Noem mij één sector / bedrijf / overheidsinstelling waar nog geen 4 procent van de uitgaven aan overhead wordt besteed.  

Ik wil het nog anders stellen. Ik vraag me zelfs af of de overhead niet onverantwoord laag is. De leraren, de professionals in de klas, hebben recht op een goed bestuur en een goede werkgever. Voor de beeldvorming: er zijn zo’n 500 éénpitters die een bestuur kennen dat bestaat uit vrijwilligers. Maar ook bij de grote besturen, met bestuurskantoor, vormen uitgaven aan overhead zo’n 4 procent van het totaal en gaat het geld naar het onderwijs zelf.

Soms wordt ook de suggestie gewekt dat schoolbestuurders geboren zijn in hun grijs-gestreepte maatpak, terwijl veel van hen zelf voor de klas hebben gestaan. Ze hebben het krijt nog op hun jasje zitten.

Kwaliteit

De kwaliteit van de bestuurder doet ertoe als het gaat om de kwaliteit van het onderwijs. Van een bestuur wordt meer verwacht dan het spellen van ‘het gele katern uit Zoetermeer’, zoals dat vóór de invoering van de lumpsum gebeurde. Het moet een samenhangend en toekomstgericht beleid maken, dat gebaseerd is op de lokale situatie en de maatschappelijke ontwikkelingen in de eigen omgeving. Een schoolbestuur in een krimpregio staat voor andere vraagstukken dan een schoolbestuur dat te kampen heeft met grootstedelijke problematiek. De lumpsum is niet voor niets ingevoerd: de centrale sturing vanuit Zoetermeer door een declaratiestelsel dat steeds gedetailleerder werd om misbruik te voorkomen, was in feite failliet, omdat er geen antwoord mogelijk was op de grote verschillen. Het schoolbestuur van nu heeft een belangrijke maatschappelijke opdracht: het zorgen voor en borgen van de onderwijskwaliteit, het zorgen voor de continuïteit van de onderwijsorganisatie en het faciliteren van de leraren,  zodat zij de ruimte hebben alle leerlingen goed voor te bereiden op hun toekomst. Dat wordt nog wel eens vergeten. 

Vertrouwen

Waarom ik zo op de beelden inga? We komen niet verder als er zo vanuit wantrouwen gekeken wordt naar onze sector. Als incidenten het totale beeld bepalen. Worden de leerlingen daar beter van? Ik zou graag zien dat er ook gekeken wordt naar “de mens achter de schoolbestuurder”. Wat wij zien: betrokken onderwijsmensen die voor het overgrote deel zelf voor de klas hebben gestaan en ‘krijt aan hun jasje hebben’. Ze weten precies wat zich in een school afspeelt. Het gaat hen om die leerlingen. Lees het Bestuursakkoord 2014 dat groot draagvlak heeft onder onze leden. Dat is geen bestuurlijke rimram. Daarin is een inhoudelijke lijn uitgezet die tot doel heeft dat we gezamenlijk het onderwijs verder brengen.

Simone Walvisch