Simone Walvisch: Terugblik op cao-onderhandelingen, een ingewikkeld schaakspel

Het kan zijn dat het geheugen een vertekend beeld geeft, maar ik heb het gevoel dat het schaakspel dat voorafging aan ons laatste cao-onderhandelingsakkoord, nooit eerder zó ingewikkeld was. Het was niet één schaakspel, maar we schaakten noodgedwongen op heel veel borden tegelijk!

Voor ons als PO-Raad liepen er steeds verschillende lijnen naast elkaar: we probeerden het ministerie van SZW en de Tweede Kamer ervan te doordringen dat de Wwz niet is toegesneden op het primair onderwijs, we probeerden met de bonden het gesprek te voeren over een cao en we lichtten de schoolbesturen voor over een goed vervangingsbeleid.

In maart 2015 hebben we op onze website een notitie gepubliceerd, op ons verzoek opgesteld door Infinite, met een systematische werkwijze voor een goed vervangingsbeleid. Die methode, die we de blokkendoos noemden, heeft als kern dat het noodzakelijk is om verschillende contractvormen te benutten, om volledig te kunnen voldoen aan de vervangingsbehoefte. Maar het was steeds duidelijk dat als sluitstuk altijd een percentage maximale flexibiliteit nodig zou zijn, bijvoorbeeld in de vorm van nulurencontracten. Deze redenering hebben we toen gedeeld met de vakbonden.  

Op 1 juli 2015 trad de Wwz in werking. Omdat het niet lukte om voor 1 juli 2015 tot cao-afspraken te komen, hebben we met de bonden afgesproken dat de cao verlengd werd, waardoor een jaar uitstel van de invoering van de Wwz mogelijk werd. De wet bood die mogelijkheid.

De wetgever staat uitzonderingen op de Wwz toe, op voorwaarde dat sociale partners het daarover eens zijn. Dat leidt toch nooit tot een gelijk speelveld!

We dachten met dat uitstel ruim de tijd te hebben om tijdig tot een akkoord te komen. Maar het was moeilijk om met elkaar tot het goede gesprek te komen. We benaderden de vervanging vanuit verschillende gedachtenwerelden: de vakbonden wilden voor elke leraar, ook voor vervangers, zoveel mogelijk vaste aanstellingen, de onderhandelaars van de PO-Raad dachten meer vanuit het belang van de schoolorganisatie. En de bonden hadden de Wwz aan hun kant: de wet wil alle flexibiliteit terugdringen en laat alleen ruimte als sociale partners daarover afspraken maken.

Nu ben ik geen jurist, en zeker niet gespecialiseerd in arbeidsrecht. Ik ben echt verbaasd over dit soort wetgeving: de wet is zo strak mogelijk, de wetgever verdiept zich niet in uitvoeringsproblemen of noodzakelijke uitzonderingen, maar staat uitzonderingen toe, op voorwaarde dat sociale partners het daarover eens zijn. Dat leidt toch nooit tot een gelijk speelveld! Vooral niet, als je bedenkt dat deze wet tot stand is gekomen op aandringen van dezelfde vakbonden. Afwijken van de Wwz is dan een moeilijke opgave.

Dit soort wetgeving maakte het voor het ministerie van SZW in zeker opzicht makkelijk: ze hoefden niet zelf stelling te nemen, want wij waren als sociale partners aan zet. Maar tegelijkertijd ook moeilijk: ze konden niets doen, want de sociale partners waren eerst aan zet. Om die reden heeft de Tweede Kamer er ook bij de minister van SZW op aangedrongen om in actie te komen, als het op 1 mei niet was gelukt om tot een cao-afspraak te komen. Dat was niet nodig.

Kon het schaakspel nog ingewikkelder? Helaas wel.

 

Kon het schaakspel nog ingewikkelder? Helaas wel. De Wwz grijpt nog op een ander punt in de verhoudingen in de sector in: hij geldt alleen voor het bijzonder onderwijs en niet voor het openbaar onderwijs. Waar verschil wordt gemaakt, komen tegenstellingen tot stand. Ik vond dat pijnlijk: de vorming van de PO-Raad had juist tot doel om de gemeenschappelijkheid te vergroten en om gezamenlijk naar Den Haag toe op te trekken. Mij lijkt de Wwz een extra reden om het bestaande verschil tussen openbaar en bijzonder onder de politieke aandacht te brengen. Dan gaat het ook om de belemmeringen die er nog steeds zijn om tot vormen van samenwerking te komen.

En nog een complicatie die speelde op een andere tafel: in juli 2015 is een loonruimteakkoord afgesloten tussen kabinet, vakbonden en overheids- en onderwijswerkgevers. De kern van deze overeenkomst was een flinke loonsverhoging, mede gefinancierd door een daling van de ABP-premie. Maar de FNV (voor ons de AOb) heeft zich lang verzet tegen dit akkoord. Dat maakte de onderlinge verhoudingen moeilijker. En het betekende dat een loonsverhoging, die gewoonlijk een ruilmiddel is in cao-onderhandelingen in feite bij voorbaat vastlag.

Ik denk dat dit akkoord op dit moment het maximaal haalbare is.

Er ligt nu een onderhandelaarsakkoord, maar dit ging niet zonder slag of stoot. Ik wil de onderhandelaars complimenteren dat ze er ondanks de ingewikkelde situatie toch uit zijn gekomen. Het akkoord wordt nog voorgelegd aan de leden en ik ben benieuwd of het resultaat positief ontvangen wordt.

Er is uiteindelijk toch gezocht naar gedeelde creatieve oplossingen. Volgens mij biedt het akkoord voldoende instrumenten voor de schoolbesturen om tot een verantwoord vervangingsbeleid te komen, waarbij er ook meer binding is met de vervangers. Dat hoort ook bij goed werkgeverschap.

Ik denk ook dat het resultaat op dit moment het maximaal haalbare is, binnen de mogelijkheden en de wettelijke ruimte. Er was zelfs een bemiddelaar voor nodig. Dat is treurig. Dat moet toch anders kunnen? Wij willen met de leden in gesprek om met elkaar te bekijken hoe we het proces voor een volgende cao anders kunnen inrichten. We hebben nu weer even de tijd……

Simone Walvisch