Helpdesk Bekostiging

Op 27 april heeft de PO-Raad met de vakbonden een onderhandelaarsakkoord gesloten voor een nieuwe cao. Als deze CAO PO 2016-2017 door de achterbannen wordt bekrachtigd, dan wijzigt een aantal regels. De informatie bij de gepubliceerde vragen en antwoorden is daarop nog niet aangepast. We doen dat zo snel mogelijk.

Welkom bij de Helpdesk. Hier kunt u antwoorden vinden op uw vragen.

Ik wil iets weten over…

Vragen en antwoorden binnen Bekostiging

  • Komen de middelen van het Werkdrukakkoord ook beschikbaar voor speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs?

    Het werkdrukakkoord geldt voor alle scholen in het primair onderwijs, dus ook voor het speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs die onder de Wet op Expertisecentra (WEC) vallen. Een gemiddelde school met 225 leerlingen krijgt volgend schooljaar circa 35.000 euro voor werkdrukbeheersing. Er zal een bedrag per leerling worden opgenomen in de personele lumpsum, naar schatting is dit ongeveer € 156. Het definitieve bedrag wordt begin maart bekend.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Financiën en School, kind & omgeving of de onderwerpen Bekostiging en Clusters speciaal onderwijs.

  • Hoe ziet de bekostiging van residentieel geplaatste leerlingen er uit?

    Een aantal leerlingen verblijft in een residentiële instelling. Dit betreft enerzijds gesloten instellingen: Justitiële Jeugdinrichting (JJI) en Gesloten Jeugdzorg Instelling (GJI). Anderzijds betreft het open instellingen (jeugdzorg, jeugdpsychiatrie, gehandicaptenzorg, gezondheidszorg). Het overgrote deel van deze leerlingen volgt onderwijs bij het (Voortgezet) Speciaal Onderwijs. Voor de gesloten en de open setting verschilt de verantwoordelijkheid van het samenwerkingsverband (financieel en voor het afgeven van een toelaatbaarheidsverklaring (TLV)). Gezien de complexiteit van deze materie is deze aparte notitie "Bekostiging van residentiële leerlingen" gemaakt. In deze notitie wordt uitleg gegeven over de gesloten en open setting voor de residentiële leerlingen en de consequenties daarvan voor het samenwerkingsverband.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Onze accountant vraagt opeens €2500 in plaats van €1500, zoals het in voorgaande jaren was. De reden is onder andere dat het ministerie verscherpte controles vraagt. Wat kan ik doen?

    Het is aan u om een accountant te selecteren en afspraken te maken. U mag bij een tariefaanpassing altijd kiezen voor een andere accountant. De bedragen die het ministerie hanteert zijn verwerkt in de lumpsumbekostiging; het is aan het schoolbestuur om hierin keuzes te maken.

     

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Welke rol hebben de middelen voor passend onderwijs bij het berekenen van de ontslagruimte van schoolbesturen in het reguliere basisonderwijs?

    De ontslagruimte werd in het verleden bepaald door het verschil in Rijksbekostiging gedurende twee jaren. Over het algemeen geldt dat hoe meer de bekostiging stijgt, hoe kleiner de ontslagruimte wordt. De middelen voor passend onderwijs, die via de samenwerkingsbestanden bij schoolbesturen terechtkomen, hebben hier niet per definitie invloed op, zo blijkt uit een reactie van het Participatiefonds.

    Een werkgever mag een dienstverband van een werknemer beëindigen wanneer er in zijn ogen zogenoemde ‘kwalitatieve fricties’ ontstaan en de werkgever anders geen goed onderwijs meer kan verzorgen. Dergelijke fricties kunnen ook ontstaan ondanks het geld voor passend onderwijs dat via het samenwerkingsverband naar de schoolbesturen toekomt. Dat geld is namelijk bedoeld voor begeleiding van leerlingen in het kader van passend onderwijs en kan niet zomaar worden uitgegeven aan het behoud van een willekeurige werknemer.

    Een schoolbestuur die in zo’n situatie komt en een werknemer gaat ontslaan, kan een vergoedingsverzoek bij het Participatiefonds indienen. Er moet dan wel altijd overleg met de vakbonden worden gevoerd (volgens het vigerende overlegprotocol).

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Financiën, Passend onderwijs en Werkgeverszaken of de onderwerpen Bekostiging en HRM.

  • Heeft de PO-Raad een document waarin in 'gewoon Nederlands' is uitgelegd hoe het zit met de btw-vrijstelling in het onderwijs?

    Dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden. In het algemeen geldt het volgende:

    1. Detachering van leerkrachten door een schoolbestuur naar andere schoolbesturen is doorgaans vrijgesteld van btw; de leerkracht moet wel bevoegd zijn, de taken van leerkracht uitvoeren en de detachering moet noodzakelijk zijn voor het onderwijs bij het inlenende bestuur. Ik merk hierbij op dat detacheringen met een winstoogmerk altijd met btw belast zijn. Directeuren en IB-ers met een onderwijsbevoegdheid kunnen vrijgesteld van btw worden gedetacheerd wanneer zij bevoegd zijn om voor de klas te staan en wanneer hun taken noodzakelijk zijn voor het onderwijs van de inlener. Detachering van personen in ondersteunende functies, zoals die van onderwijsassistent, opleider, coach, schoonmaken, administrateur, manager, bestuurder, toezichthouder, secretaresse en dergelijke zijn doorgaans met btw belast.

    2. Kosten in rekening brengen bij een ander schoolbestuur is in beginsel altijd met btw belast. Verhuur van vastgoed is vrijwel altijd vrijgesteld van btw, diensten samenhangend met verhuur (schoonmaak, inrichting) zijn met btw belast wanneer deze apart in rekening worden gebracht.

    3. Verhuur van vastgoed/ruimtes is vrijgesteld van btw.

    Verder is van belang dat alle vrijstellingen, dus ook de onderwijsvrijstelling, de vrijstelling passend onderwijs en de vrijstelling voor verhuur van vastgoed, aan voorwaarden zijn gebonden. Als gebruik wordt gemaakt van een vrijstelling dan moet overtuigend bewezen kunnen worden dat men aan de eisen van de vrijstelling voldoet. Het is raadzaam om vooraf contact op te nemen met de belastinginspecteur om te bespreken op welk detailniveau zaken vastgelegd moeten worden. Opgemerkt hierbij is dat wat voor een schoolbestuur volstrekt voor de hand ligt, niet altijd door de belastinginspecteur wordt geaccepteerd. Voorbeeld: er is 10 jaar geprocedeerd over de vraag of een schoolleider noodzakelijk is voor het onderwijs. Uiteindelijk heeft het Europees Hof deze vraag met ja beantwoord en zijn schoolleiders ook vrijgesteld, maar dit heeft dus heel veel discussie met de belastingdienst gekost.

    Btw regelgeving is complex; er zijn veel voorwaarden en vrijstellingen. Om het nog lastiger te maken mag de plaatselijke belastinginspecteur zelf bepaalde keuzes maken in de interpretatie van de wetgeving; wat in Groningen is vrijgesteld kan, in Maastricht dus maar zo worden belast. Een volledig overzicht op een half A4tje is dus niet te geven. De helpdesk van de PO-Raad kijkt bij concrete vragen wel graag mee.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Wat zijn de tarieven voor schoolzwemmen en leerlingenvervoer in verband met schoolzwemmen in de materiële instandhouding voor het (V)SO?

    De invoering van passend onderwijs betekent een verandering van de bekostigingssystematiek voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs ((v)so). De materiële bekostiging bestaat met ingang van 1 januari 2015 uit de basis- en de ondersteuningsbekostiging.

    De basisbekostiging per leerling is voor alle (v)so-scholen/instellingen gelijk. Voor de instellingen in de clusters 1 en 2 is de ondersteuningsbekostiging een vast bedrag per instelling.

    Voor de clusters 3 en 4 zijn er drie categorieën leerlingen waarvoor een ondersteuningsbedrag wordt vastgesteld. Deze ondersteuningsbedragen worden in principe betaald door de samenwerkingsverbanden die daarvoor een normbekostiging voor de zware ondersteuning ontvangen.

    Omdat deze veranderingen leiden tot herverdeeleffecten bij samenwerkingsverbanden is er in de Wet passend onderwijs een overgangsregeling getroffen. In artikel 5 van deze regeling worden de daarvoor benodigde bedragen vastgesteld.

    Er is dus geen gelabeld tarief meer ten behoeve van het schoolzwemmen en vervoer leerlingen.

    Meer informatie

    Meer informatie vindt u hier en hier

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Wat heeft de gewichtenregeling met lumpsum te maken?

    Strikt genomen heeft de gewichtenregeling niets met de invoering van lumpsum te maken. Het is echter wel zo dat iedere ouder met een kind in de basisschoolleeftijd gevraagd zal worden een ouderverklaring in te vullen door de school. Op dat formulier wordt een aantal vragen gesteld, onder andere over het opleidingsniveau van de ouder. Het is echter uitgesloten dat de basisschool de opleidingsgegevens van de ouders kan en mag controleren. De vraag naar het opleidingsniveau van de ouders is bedoeld om een school extra middelen toe te kennen voor het bestrijden van onderwijs (taal) achterstanden. Uit onderzoek blijkt dat er relatie bestaat tussen de genoten opleiding van de ouders en een (mogelijk) taalachterstand bij een kind. De leerlingen worden door deze extra ondersteuning beter voorbereid op het vervolgonderwijs. Om te bepalen hoeveel extra middelen de school hiervoor kan vragen is het belangrijk dat ouders de papieren ouderverklaring invullen en ondertekenen. Wanneer ouders de ouderverklaring niet invullen krijgt de school voor dit kind geen gewicht.

    Deze papieren ouderverklaring wordt in de administratie van de school bewaard.

    De Accountantsdienst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen controleert steekproefsgewijs de leerlingenadministraties van basisscholen. Bij een dergelijke controle wordt ook de ouderverklaring gecontroleerd.

    Ouders zijn niet verplicht de ouderverklaring in te vullen.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Financiën en School, kind & omgeving of het onderwerp Bekostiging.

  • Hoe wordt de compensatie voor gestegen arbeidskosten berekend?

    De kabinetsbijdrage ter compensatie voor de ontwikkeling van de arbeidskosten in de collectieve sector, wordt vastgesteld aan de hand van de "referentiesystematiek". Het primair onderwijs valt ook onder de definitie van "collectieve sector". De referentiesystematiek vertaalt de ontwikkeling van arbeidskosten in de marktsector door naar de overheidsector. De marktsector is dus het referentiepunt: stijgen/dalen de arbeidskosten in de marktsector, dan stijgt/daalt de compensatie voor de ontwikkeling van de arbeidskosten in het PO. Op zich is dit een logisch systeem van indexering, aangezien de ontwikkeling van alle arbeidskosten worden meegenomen en compensatie niet afhankelijk is van factoren die de sector zelf kan beïnvloeden.

    De referentiesystematiek is onder te verdelen in de onderstaande arbeidskosten:

    • Contractloonontwikkeling in de marktsector, zoals geraamd door het Centraal Plan Bureau (CPB in de Macro Economische Verkenning (MEV) en Centraal Economisch Plan (CEP).
    • Mutatie werkgeverslasten in de marktsector voor de werkgeverslasten pensioen en sociale zekerheid. Hieronder vallen:
    • Arbeidsongeschiktheid (WAO)
    • Zorgverzekeringswet (ZVW)
    • Pensioenen
    • Doorbetaling bij ziekte/ ziekteverzuim
    • Bijdrage kinderopvang

    Het is van belang om te benadrukken dat de daadwerkelijke ontwikkeling van arbeidskosten in het primair onderwijs geen enkele rol speelt bij het vaststellen van de compensatie voor gestegen arbeidskosten. Is de ontwikkeling van de werkgeverslasten in het PO hoger dan de kabinetsbijdrage die ontvangen wordt, dan moeten schoolbesturen in het PO dat zelf oplossen. Andersom geldt ook: wordt er meer gecompenseerd dan dat de arbeidskosten daadwerkelijk zijn gestegen, dan mogen schoolbesturen dit geld houden.

    Overigens houdt het kabinet te allen tijde het recht om de berekening op grond van de referentiesystematiek niet door te vertalen in een compensatie, als dit een volgens het kabinet "ongewenste" uitkomst oplevert. Van die mogelijkheid is de afgelopen jaren gebruik gemaakt om te kunnen bezuinigen op de overheidsuitgaven of om specifiek beleid te financieren. Zo zijn in 2010, 2011 en 2012 de contractlonen in de collectieve sector niet gestegen conform de referentiesystematiek. Ook voor 2013 is deze nullijn begroot (let wel: dit geldt dus niet voor de werkgeverslasten). Definitieve besluitvorming over de vaststelling van de compensatie voor gestegen arbeidskosten over 2013, vindt plaats in het voorjaarsoverleg (april –juni 2013).

    De compensatie vindt plaats door middel van een verhoging van de personele bekostiging (GPL) en wordt toegekend op jaarbasis. De personele bekostiging wordt toegekend op schooljaarbasis. Omdat de compensatie over 2013 bij voorjaarsnota wordt vastgesteld (ca. juni), kan de bekostiging 2012/2013 veelal pas worden vastgesteld als het schooljaar als is afgelopen. De compensatie over 2013 heeft immers ook consequenties voor de bekostiging over de laatste 7 maanden van dat schooljaar (januari – juli 2013).

    Voorbeeld: Toepassing referentiemodel 2012

    Op basis van de referentiesystematiek was 1,75% ruimte beschikbaar voor vergoeding van de contractloonontwikkeling. Het kabinet heeft echter besloten om voor 2012 de lonen in de collectieve sector te bevriezen. Voor de werkgeverslasten heeft dit geen directe financiële consequenties.

    Voor het jaar 2012 is de personele bekostiging verhoogd met 0,42% om gestegen werkgeverslasten te compenseren. De precieze opbouw van de verhoging wordt weergegeven in onderstaande tabel.

    • WAO -0,05%
    • ZVW 0,22%
    • Pensioenen 0,37%
    • doorbetaling bij ziekte, eigen risico WAO e.d. -0,24%
    • kinderopvang 0,12%
    • Totaal 0,42%

    De compensatie voor gestegen pensioenpremies bedraagt 0,37%. Dit is een stuk minder dan de stijging van de pensioenpremies over 2012, die leidt tot een stijging van de loonkosten van circa 0,90%. In de compensatie zit ook een min van ruim 0,2% vanwege onder meer doorbetaling bij ziekte en het eigen risico WAO. Eén en ander is met name het gevolg van het feit dat het ziekteverzuim in de marktsector is gedaald. In het referentiemodel leidt deze ontwikkeling tot een verlaging van de kabinetsbijdrage. Dit terwijl de kosten van ziekteverzuim in de PO-sector juist zijn toegenomen (zie stijging premie Vervangingsfonds in 2012).

    De ontwikkeling van de werkloosheidskosten, in het PO uitgekeerd via het Participatiefonds, wordt niet meegenomen in het referentiemodel.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Hoe kunnen wij binnen de fiscale regels een tablet verstrekken aan een werknemer?

    Tablets voor zakelijk gebruik zijn in de herfst van 2014 door de rechter definitief vrijgesteld van loonheffing. Dat blijkt uit een uitspraak van het gerechtshof in Amsterdam. De uitspraak is goed nieuws voor scholen die tablets aanschaften en die te maken kregen met een naheffing van de Belastingdienst.

    Eerder pleitten PO-Raad en VO-raad al voor aanpassing van de fiscale regels met betrekking tot tablets in het onderwijs. Zij stuurden daarover gezamenlijk een brief aan de Tweede Kamer.

    Volgens het gerechtshof moet de tablet als communicatiemiddel worden beschouwd, omdat deze voornamelijk is bedoeld voor internetten, e-mailen en het versturen van berichten. En niet voor het schrijven van lange teksten. Daarmee komt ook de 90%-regel die voor computers geldt, te vervallen. Computers moeten vrijwel volledig zakelijk worden gebruikt, voor tablets die belastingvrij worden verstrekt, hoeft dat gebruik slechts 10% te zijn.

    Aan de onduidelijkheid over het al dan niet rekenen van loonheffing over zakelijke tablets is met deze uitspraak een einde gekomen. De PO-Raad adviseert schoolbesturen die op grond van deze uitspraak onterecht betaalde loonheffing willen terugvorderen, zich te wenden tot de Belastingdienst.

    Eerdere regels

    Eerder golden de volgende regels:

    De belastingdienst ziet het verstrekken van een tablet aan medewerkers als een vorm van loon in natura, tenzij u wettig en overtuigend kunt bewijzen dat de tablet voor minimaal 90 procent wordt gebruikt voor werk gerelateerde activiteiten. In de praktijk blijkt dit bewijs niet eenvoudig te leveren. Gevolg is dat over de waarde van de tablet loonbelasting moet worden afgedragen. De tablet mag wel worden meegenomen in de werkkostenregeling voor zover daar ruimte voor is.

    Het verstrekken van aanvullende vergoedingen aan medewerkers, buiten de werkkostenregeling om, is strikt genomen volgens de cao niet toegestaan. Maar hier is geen controle of handhaving op. Als u besluit toch een aanvullende vergoeding in de vorm van een tablet te verstrekken, dan dient u er rekening mee te houden dat de aanvullende vergoeding wordt gezien als loon en dat daar dus ook loonbelasting en eventuele premies over moeten worden betaald.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Financiën en ICT in het onderwijs of het onderwerp Bekostiging.

  • Met welk percentage zijn de werkgeverslasten voor 2011/2012 daadwerkelijk gestegen?

    Voor het jaar 2012 is de personele bekostiging opgehoogd met 0,42% om gestegen werkgeverslasten te compenseren. De compensatie voor gestegen pensioenpremies bedraagt 0,37%. Dit is een stuk minder dan de stijging van de pensioenpremies over 2012, die leidt tot een stijging van de loonkosten van circa 1,0% . In de compensatie zit ook een min van ruim 0,2% vanwege onder meer doorbetaling bij ziekte en het eigen risico WAO. De precieze opbouw wordt weergegeven in onderstaande tabel.

    WAO-0,05%
    ZVW0,22%
    pensioenen0,37%
    doorbetaling bij ziekte, eigen risico WAO e.d.-0,24%
    kinderopvang0,12%
    Totaal0,42%


    Met welke percentage de werkgeverslasten zijn gestegen, is mede afhankelijk van de eigen specifieke situatie. Het AK zou hier behulpzaam kunnen zijn.

     

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

Pagina's