Juridische Helpdesk Bekostiging

Tekst

Welkom bij de Juridische Helpdesk. Hier kunt u antwoorden vinden op uw vragen.

Ik wil iets weten over…

Vragen en antwoorden binnen Bekostiging

  • Wat heeft de gewichtenregeling met lumpsum te maken?

    Strikt genomen heeft de gewichtenregeling niets met de invoering van lumpsum te maken. Het is echter wel zo dat iedere ouder met een kind in de basisschoolleeftijd gevraagd zal worden een ouderverklaring in te vullen door de school. Op dat formulier wordt een aantal vragen gesteld, onder andere over het opleidingsniveau van de ouder. Het is echter uitgesloten dat de basisschool de opleidingsgegevens van de ouders kan en mag controleren. De vraag naar het opleidingsniveau van de ouders is bedoeld om een school extra middelen toe te kennen voor het bestrijden van onderwijs (taal) achterstanden. Uit onderzoek blijkt dat er relatie bestaat tussen de genoten opleiding van de ouders en een (mogelijk) taalachterstand bij een kind. De leerlingen worden door deze extra ondersteuning beter voorbereid op het vervolgonderwijs. Om te bepalen hoeveel extra middelen de school hiervoor kan vragen is het belangrijk dat ouders de papieren ouderverklaring invullen en ondertekenen. Wanneer ouders de ouderverklaring niet invullen krijgt de school voor dit kind geen gewicht.

    Deze papieren ouderverklaring wordt in de administratie van de school bewaard.

    De Accountantsdienst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen controleert steekproefsgewijs de leerlingenadministraties van basisscholen. Bij een dergelijke controle wordt ook de ouderverklaring gecontroleerd.

    Ouders zijn niet verplicht de ouderverklaring in te vullen.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Financiën en School, kind & omgeving of het onderwerp Bekostiging.

  • Hoe wordt de compensatie voor gestegen arbeidskosten berekend?

    De kabinetsbijdrage ter compensatie voor de ontwikkeling van de arbeidskosten in de collectieve sector, wordt vastgesteld aan de hand van de "referentiesystematiek". Het primair onderwijs valt ook onder de definitie van "collectieve sector". De referentiesystematiek vertaalt de ontwikkeling van arbeidskosten in de marktsector door naar de overheidsector. De marktsector is dus het referentiepunt: stijgen/dalen de arbeidskosten in de marktsector, dan stijgt/daalt de compensatie voor de ontwikkeling van de arbeidskosten in het PO. Op zich is dit een logisch systeem van indexering, aangezien de ontwikkeling van alle arbeidskosten worden meegenomen en compensatie niet afhankelijk is van factoren die de sector zelf kan beïnvloeden.

    De referentiesystematiek is onder te verdelen in de onderstaande arbeidskosten:

    • Contractloonontwikkeling in de marktsector, zoals geraamd door het Centraal Plan Bureau (CPB in de Macro Economische Verkenning (MEV) en Centraal Economisch Plan (CEP).
    • Mutatie werkgeverslasten in de marktsector voor de werkgeverslasten pensioen en sociale zekerheid. Hieronder vallen:
    • Arbeidsongeschiktheid (WAO)
    • Zorgverzekeringswet (ZVW)
    • Pensioenen
    • Doorbetaling bij ziekte/ ziekteverzuim
    • Bijdrage kinderopvang

    Het is van belang om te benadrukken dat de daadwerkelijke ontwikkeling van arbeidskosten in het primair onderwijs geen enkele rol speelt bij het vaststellen van de compensatie voor gestegen arbeidskosten. Is de ontwikkeling van de werkgeverslasten in het PO hoger dan de kabinetsbijdrage die ontvangen wordt, dan moeten schoolbesturen in het PO dat zelf oplossen. Andersom geldt ook: wordt er meer gecompenseerd dan dat de arbeidskosten daadwerkelijk zijn gestegen, dan mogen schoolbesturen dit geld houden.

    Overigens houdt het kabinet te allen tijde het recht om de berekening op grond van de referentiesystematiek niet door te vertalen in een compensatie, als dit een volgens het kabinet "ongewenste" uitkomst oplevert. Van die mogelijkheid is de afgelopen jaren gebruik gemaakt om te kunnen bezuinigen op de overheidsuitgaven of om specifiek beleid te financieren. Zo zijn in 2010, 2011 en 2012 de contractlonen in de collectieve sector niet gestegen conform de referentiesystematiek. Ook voor 2013 is deze nullijn begroot (let wel: dit geldt dus niet voor de werkgeverslasten). Definitieve besluitvorming over de vaststelling van de compensatie voor gestegen arbeidskosten over 2013, vindt plaats in het voorjaarsoverleg (april –juni 2013).

    De compensatie vindt plaats door middel van een verhoging van de personele bekostiging (GPL) en wordt toegekend op jaarbasis. De personele bekostiging wordt toegekend op schooljaarbasis. Omdat de compensatie over 2013 bij voorjaarsnota wordt vastgesteld (ca. juni), kan de bekostiging 2012/2013 veelal pas worden vastgesteld als het schooljaar als is afgelopen. De compensatie over 2013 heeft immers ook consequenties voor de bekostiging over de laatste 7 maanden van dat schooljaar (januari – juli 2013).

    Voorbeeld: Toepassing referentiemodel 2012

    Op basis van de referentiesystematiek was 1,75% ruimte beschikbaar voor vergoeding van de contractloonontwikkeling. Het kabinet heeft echter besloten om voor 2012 de lonen in de collectieve sector te bevriezen. Voor de werkgeverslasten heeft dit geen directe financiële consequenties.

    Voor het jaar 2012 is de personele bekostiging verhoogd met 0,42% om gestegen werkgeverslasten te compenseren. De precieze opbouw van de verhoging wordt weergegeven in onderstaande tabel.

    • WAO -0,05%
    • ZVW 0,22%
    • Pensioenen 0,37%
    • doorbetaling bij ziekte, eigen risico WAO e.d. -0,24%
    • kinderopvang 0,12%
    • Totaal 0,42%

    De compensatie voor gestegen pensioenpremies bedraagt 0,37%. Dit is een stuk minder dan de stijging van de pensioenpremies over 2012, die leidt tot een stijging van de loonkosten van circa 0,90%. In de compensatie zit ook een min van ruim 0,2% vanwege onder meer doorbetaling bij ziekte en het eigen risico WAO. Eén en ander is met name het gevolg van het feit dat het ziekteverzuim in de marktsector is gedaald. In het referentiemodel leidt deze ontwikkeling tot een verlaging van de kabinetsbijdrage. Dit terwijl de kosten van ziekteverzuim in de PO-sector juist zijn toegenomen (zie stijging premie Vervangingsfonds in 2012).

    De ontwikkeling van de werkloosheidskosten, in het PO uitgekeerd via het Participatiefonds, wordt niet meegenomen in het referentiemodel.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Hoe kunnen wij binnen de fiscale regels een tablet verstrekken aan een werknemer?

    Tablets voor zakelijk gebruik zijn in de herfst van 2014 door de rechter definitief vrijgesteld van loonheffing. Dat blijkt uit een uitspraak van het gerechtshof in Amsterdam. De uitspraak is goed nieuws voor scholen die tablets aanschaften en die te maken kregen met een naheffing van de Belastingdienst.

    Eerder pleitten PO-Raad en VO-raad al voor aanpassing van de fiscale regels met betrekking tot tablets in het onderwijs. Zij stuurden daarover gezamenlijk een brief aan de Tweede Kamer.

    Volgens het gerechtshof moet de tablet als communicatiemiddel worden beschouwd, omdat deze voornamelijk is bedoeld voor internetten, e-mailen en het versturen van berichten. En niet voor het schrijven van lange teksten. Daarmee komt ook de 90%-regel die voor computers geldt, te vervallen. Computers moeten vrijwel volledig zakelijk worden gebruikt, voor tablets die belastingvrij worden verstrekt, hoeft dat gebruik slechts 10% te zijn.

    Aan de onduidelijkheid over het al dan niet rekenen van loonheffing over zakelijke tablets is met deze uitspraak een einde gekomen. De PO-Raad adviseert schoolbesturen die op grond van deze uitspraak onterecht betaalde loonheffing willen terugvorderen, zich te wenden tot de Belastingdienst.

    Eerdere regels

    Eerder golden de volgende regels:

    De belastingdienst ziet het verstrekken van een tablet aan medewerkers als een vorm van loon in natura, tenzij u wettig en overtuigend kunt bewijzen dat de tablet voor minimaal 90 procent wordt gebruikt voor werk gerelateerde activiteiten. In de praktijk blijkt dit bewijs niet eenvoudig te leveren. Gevolg is dat over de waarde van de tablet loonbelasting moet worden afgedragen. De tablet mag wel worden meegenomen in de werkkostenregeling voor zover daar ruimte voor is.

    Het verstrekken van aanvullende vergoedingen aan medewerkers, buiten de werkkostenregeling om, is strikt genomen volgens de cao niet toegestaan. Maar hier is geen controle of handhaving op. Als u besluit toch een aanvullende vergoeding in de vorm van een tablet te verstrekken, dan dient u er rekening mee te houden dat de aanvullende vergoeding wordt gezien als loon en dat daar dus ook loonbelasting en eventuele premies over moeten worden betaald.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Financiën en ICT in het onderwijs of het onderwerp Bekostiging.

  • Met welk percentage zijn de werkgeverslasten voor 2011/2012 daadwerkelijk gestegen?

    Voor het jaar 2012 is de personele bekostiging opgehoogd met 0,42% om gestegen werkgeverslasten te compenseren. De compensatie voor gestegen pensioenpremies bedraagt 0,37%. Dit is een stuk minder dan de stijging van de pensioenpremies over 2012, die leidt tot een stijging van de loonkosten van circa 1,0% . In de compensatie zit ook een min van ruim 0,2% vanwege onder meer doorbetaling bij ziekte en het eigen risico WAO. De precieze opbouw wordt weergegeven in onderstaande tabel.

    WAO-0,05%
    ZVW0,22%
    pensioenen0,37%
    doorbetaling bij ziekte, eigen risico WAO e.d.-0,24%
    kinderopvang0,12%
    Totaal0,42%


    Met welke percentage de werkgeverslasten zijn gestegen, is mede afhankelijk van de eigen specifieke situatie. Het AK zou hier behulpzaam kunnen zijn.

     

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Wat is de gemiddelde groepsgrootte in het basisonderwijs en hoe hangt de bekostiging van een school hiermee samen?

    De gemiddelde groepsgrootte in het basisonderwijs ligt rond de 23 leerlingen, maar op dat getal valt veel af te dingen.

    Het gemiddelde wordt namelijk berekend op basis van het geld dat een school via de lumpsum krijgt. Die lumpsum is mede gebaseerd op het aantal leerlingen per leerkracht. Zo ontvangt een school 0,0595 FTE leerkracht per leerling onderbouw en 0, 0414 FTE leerkracht per leerling bovenbouw. Hier moeten deels ook directie (daar is ook een directietoeslag voor) en onderwijsondersteunend personeel uit worden betaald.

    Schoolbesturen mogen het geld uit de lumpsum naar eigen inzichten inzetten. De één zet zijn geld in voor meer ondersteuning in en om de klas, de ander kiest voor kleinere klassen. Het is daarom ook lastig om een landelijk gemiddelde groepsgrootte te geven, aangezien de grootte van een klas sterk afhankelijk is van het beleid op school. In werkelijkheid bepaalt het type kinderen op een school en de visie van de school op onderwijs eigenlijk hoe groot een klas is.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Waarom moet onze school ieder jaar weer geld aan de Stichting Reprorecht betalen voor het aantal gemaakte kopieën? We gebruiken die kopieën toch voor het onderwijs aan onze leerlingen?

    Wij snappen uw bezwaren grotendeels. Bij de invoering van de reproplicht heeft het ministerie van Onderwijs met deze kostenpost geen rekening gehouden in de vergoedingen die scholen jaarlijks ontvangen. Ook bij de - 5-jaarlijkse – evaluaties van het bekostigingsstelsel zijn de vergoedingen niet aangepast, ondanks dat duidelijk is dat de bekostiging als zodanig fors tekort schiet.

    Andere kant van het verhaal is dat bij het kopiëren gebruik wordt gemaakt van materiaal dat door anderen is geschreven en/of ontwikkeld. De wetgever heeft bepaald dat een vergoeding moet worden betaald wanneer van dat werk kopieën worden gemaakt. In de wet is zelfs vastgelegd wat de hoogte van het bedrag moet zijn. De Stichting Reprorecht int deze bedragen en zorgt ervoor dat auteurs daarmee kunnen worden betaald. Ook voor de PO-Raad is deze wettelijke bepaling een gegeven. Het enige wat wij kunnen doen (en ook hebben gedaan) is trachten de schade zoveel mogelijk te beperken door een kortingsregeling voor het onderwijs af te spreken.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • In de voorziening jubilea zit inmiddels een dusdanig hoog bedrag dat het schoolbestuur voor het volgende kalenderjaar geen dotatie aan die voorziening wil doen. Mag het bestuur daarvan afzien?

    Het treffen van een passende voorziening voor jubileumuitkeringen is wettelijk verplicht. Op de balans moet een voorziening worden opgenomen voor opgebouwde rechten van werknemers. Dit is vastgelegd in RJ 271.202 en RJ 271.203. De jubileumuitkering is er daar een van.

     

    In de voorziening moet voldoende geld zitten om de te verwachten kosten/opgebouwde rechten te dekken. Wanneer het bedrag hoog genoeg is, dan kan ervoor worden gekozen om dat jaar geen dotatie te doen. Dat moet echter wel worden ondersteund door een berekening waaruit blijkt dat de huidige voorziening volstaat om aan de te verwachten toekomstige verplichtingen te voldoen.

    Om de juiste hoogte van de voorziening te bepalen zijn verschillende berekeningen mogelijk. De PO-Raad heeft een gangbare berekening verwerkt tot een rekenmodel. Dat model is hier te downloaden.

    Daarbij moet wel worden opgemerkt, dat een voorziening altijd een (met een berekening onderbouwde) inschatting betreft. Het schoolbestuur kan dus wat ruimer of krapper schatten, bijvoorbeeld door de te verwachten percentages leerkrachten dat hun jubileum zal halen positiever of negatiever in te schatten. Dat is toegestaan, zolang de wijzigingen in de inschatting redelijk kunnen worden onderbouwd. De redelijkheid van de onderbouwing van een voorziening wordt getoetst door de accountant bij de jaarlijkse controle van de jaarrekening.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij het thema Financiën of het onderwerp Bekostiging.

  • Moet er btw worden betaald over personeel dat binnen een samenwerkingsverband wordt uitgewisseld?

    Er komt een vrijstelling voor btw voor diensten die voortvloeien uit het ondersteuningsplan in het passend onderwijs. De vrijstelling kan worden benut door het samenwerkingsverband en door de deelnemers.

    Dit hebben de staatssecretarissen van Onderwijs en Financiën begin juli 2014 besloten naar aanleiding van vragen vanuit de PO-Raad en onderwijsinstellingen. De formele uitwerking van dit besluit volgt zo snel mogelijk. Er wordt gekozen voor een voorlopige vrijstelling tot 1 augustus 2016. In de periode tot 1 augustus 2016 zal worden gesproken over een definitieve regeling voor het passend onderwijs die beter past binnen de huidige wet- en regelgeving.

    Meer weten?

    Kijk ook eens bij de thema's Financiën en Passend onderwijs of de onderwerpen Bekostiging en Passend Onderwijs.

Pagina's