Minder geld naar scholen met veel achterstandsleerlingen

De PO-Raad is opgelucht dat minister Slob (Onderwijs) het resterende onderwijsachterstandsbudget niet gaat verdelen over veel meer kinderen dan nu het geval is. De PO-Raad had dit met klem afgeraden, aangezien er dan van de huidige voorzieningen voor kinderen met risico’s op achterstanden weinig over zou blijven door verwatering van de middelen. Wel blijft de sectororganisatie erop wijzen dat met het huidige budget (zo’n 150 miljoen minder dan in 2011) zeker niet aan alle kinderen in achterstandssituaties recht wordt gedaan.

Update 01-05-2018: internetconsultatie geopend
Inmiddels is het plan voor de herverdeling van de onderwijsachterstandsmiddelen opengesteld voor internetconsultatie. De PO-Raad roept al haar leden op te reageren. Dit kan tot uiterlijk 31 mei 2018 via deze link. Op 16 mei bespreekt minister Slob zijn keuze voor een nieuwe verdeelsystematiek van de achterstandsmiddelen met de Kamer.

Tegelijk met een nieuwe definitie van onderwijsachterstanden, legde minister Slob vorige maand de Kamer verschillende varianten voor om de onderwijsachterstandsmiddelen te verdelen. Het verschil tussen de varianten had betrekking op zowel de doelgroep (welk percentage kinderen met achterstanden valt er binnen de doelgroep) als de drempel (hoe hoog moet de concentratie aan kinderen met een achterstand zijn). De Kamer was unaniem voorstander van de nieuwe indicator, maar bleek zeer verdeeld over de vraag waar de grens moest liggen om effectief achterstandenbeleid te voeren (drempel en doelgroep).

Doelgroep vijftien procent, drempel omhoog naar twaalf procent

Op advies van de PO-Raad kiest de minister er nu voor om de vijftien procent leerlingen met het hoogste risico op achterstanden in aanmerking te laten komen. Hiermee wordt extreme verwatering van het budget, zoals in de andere scenario’s van het kabinet het geval zou zijn geweest, vermeden. Daarnaast komt er een drempel voor scholen van twaalf procent: pas wanneer een schoolpopulatie voor minimaal twaalf procent uit leerlingen bestaat die volgens de nieuwe indicator tot de vijftien procent behoren met het hoogste risico op achterstanden, komt de school in aanmerking voor achterstandsmiddelen. Ook dit sluit aan bij het advies van de PO-Raad, gegeven de opties die de minister bood.

Verdelen van schaarste

De PO-Raad waarschuwt echter dat ook met deze variant een aanzienlijk aantal gemeenten en scholen erop achteruit gaan in hun budget voor het bestrijden van onderwijsachterstanden. ‘Wij zien dit als het verdelen van schaarste’, reageerde de PO-Raad deze week in een item van NOS. De afgelopen jaren voerde de PO-Raad dan ook met haar leden veelvuldig actie om de politiek ervan te overtuigen eerst het budget te herstellen naar het niveau van 2011, vóórdat de nieuwe verdeling op verantwoorde wijze ingevoerd zou kunnen worden. Helaas zonder resultaat.

Zorgen bij herverdeling

Het invoeren van de nieuwe definitie van onderwijsachterstanden en wijze van verdeling van de middelen heeft herverdeeleffecten tot gevolg. Sommige besturen krijgen meer middelen dan voorheen, andere minder. Dit kan om forse bedragen gaan. De PO-Raad wijst er op dat er besturen zullen zijn waarbij een groot deel van het nieuwe geld dat naar de scholen toekomt in het kader van het werkdrukakkoord, verdampt door de bezuiniging op de achterstandsmiddelen.

Kleine pleister op de wond is dat de nieuwe systematiek gedurende drie schooljaren geleidelijk wordt ingevoerd, beginnend in schooljaar 2019-2020. Scholen hebben dus drie jaar de tijd om hun beleid aan te passen.

Beter systeem voor definiëren van onderwijsachterstand

De hoogte van het bedrag dat scholen volgens de nieuwe regeling gaan ontvangen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden blijft, net als in de oude gewichtenregeling, afhankelijk van de ernst van de achterstand per leerling. Deze wordt echter niet meer alleen bepaald door het opleidingsniveau van ouders, maar ook door de herkomst van ouders en de aanwezigheid van bijvoorbeeld schuldenproblematiek. De hele sector is groot voorstander van deze nieuwe indicator. Bijkomend voordeel van de nieuwe systematiek is dat scholen verlost worden van de administratieve druk van de gewichtenregeling: de berekening gebeurt vanaf het schooljaar 2018-2019 door het Centraal Bureau voor Statistiek. Na 1 oktober 2018 hoeven scholen geen ouderverklaringen meer op te vragen. De registratie op 1 oktober 2018 zal worden gebruikt voor het berekenen van de overgangsbekostiging.

Geen basisvoorziening voor jonge kinderen

In zijn brief onderstreept minister Slob dat hij onderwijsachterstanden gericht wil bestrijden. Dat bleek ook al uit de investering van 170 miljoen in voor- en vroegschoolse educatie vanuit het Regeerakkoord. De PO-Raad wijst er echter op dat segregatie hiermee blijft bestaan: kinderen van werkende ouders gaan naar de kinderopvang en doelgroeppeuters naar de voorschool. Bovendien hebben nog steeds niet alle kinderen toegang tot minimaal 16 uur opvang per week. Zeker nu het bereik van kinderen met het nieuwe onderwijsachterstandenbeleid niet veel groter wordt, betreurt de PO-Raad het des te meer dat het kabinet geen werk maakt van één basisvoorziening voor alle peuters, om op die manier gelijke kansen te bevorderen. Voor een dergelijke voorziening pleit een zeer brede maatschappelijke coalitie van onderwijs, gemeenten, werkgevers, werknemers, kinderopvangorganisaties en sociaal werk al geruime tijd.

Laatst gewijzigd: 
dinsdag 1 mei 2018

Nieuwscategorieën